Hoofdstuk 3

Vorige hoofdstuk  –  Volgende hoofdstuk

THERAPIE – TWEEDE MAAND

1.

Mijn vrouw heeft een weekje weg geregeld. We huren een huisje in een polderdorpje in een uithoek van Zeeuws-Vlaanderen.
“Wat verwacht je van dit verlof?” vraagt de psycholoog.
Ik aarzel. Geen idee eigenlijk. Nog niet over nagedacht. Niet echt. “Nou, veel rust en zo…”
“Wat bedoel je met rust?”
Wat bedoel ik? Goh. Mijn hersenen draaien op volle toeren. ‘Ik zou daar wel wat alleen willen wandelen of fietsen, zoals ik nu door de week ook doe. Denk ik. Dat geeft me nu ook rust.”
“Tijd alleen om buiten te gaan, dus.”
“O, ik wil ook wel wat tijd om te schrijven. Ik vind het fijn om proza te schrijven, en ik wil me daar meer in oefenen. Het komt er gewoon zo vaak niet van, maar op vakantie zou dat toch moeten lukken.”
“En weet je vrouw ook dat je dat verwacht?”
“Nou euh…”
“Je moet dat communiceren. Als jij haar niet vertelt wat je nodig hebt, dan kan ze het jou ook niet geven.”
En dus zit ik de eerste ochtend van onze korte vakantie aan de ontbijttafel, de juiste woorden te zoeken. Ik heb het weer uitgesteld tot het laatste moment, maar nu kan het echt niet meer anders. Ik haal diep adem. “Kunnen we even afspreken hoe we de dag gaan plannen?”
Ze kijkt me vragend aan.
“Ik zou graag hebben dat jij deze voormiddag op de kleine let. Ik wil straks graag alleen buiten, om in de buurt rond te wandelen. Is dat oke?”
Haar gezicht verdonkert. Ai. Ik heb het weer verkeerd gedaan.
“Ik bedoel: ik moet zorgen dat ik elke dag wat tijd voor mezelf neem. Om te wandelen of om te schrijven. Maar het moet jou ook wel passen, he, daarom dat ik het nu wil afstemmen.”
“Ja, en ík dan!?”
“Euh?”
“Als we de hele tijd uit jouw weg moeten blijven, dan kan ik beter met de kleine terug naar huis gaan. Zo ga ik er ook niks aan hebben!”
“Jamaar, ik moet niet de hele dag he!” Ik probeer het beter uit te leggen. Ik wil niet de hele tijd met rust gelaten worden, ik wil gewoon afspreken wanneer we samen iets doen en wanneer ik voor mezelf iets mag doen. Als ik niet een paar uur voor mezelf heb, ben ik te nerveus en geïrriteerd bij wat we samen doen. En ik wil van die samen-dingen ook terug genieten. “Jij wou toch graag naar Sluis vandaag of morgen?”
“Ja.”
“Wel, dan kunnen we deze namiddag allemaal samen naar Sluis, als je dat goed vindt. En vanavond steek ik de kleine in bed, als je dat wil.”
Een half uur later wandel ik door een eindeloos polderlandschap in de herfstzon. Ik volg willekeurig enkele dijken en wandelpaden, tot ik uiteindelijk op de hoge zeedijk uitkom, met zicht op de machtige monding van de Westerschelde. Ooit zou ik hier zo snel mogelijk weer weggelopen zijn. Ooit haatte ik de zee, die zo buitenmenselijk groot en allesvernietigend kan zijn. Maar nu blijf ik gefascineerd staan. Een immense watervlakte die niks van me verlangt. Grollende golven die alles in mijn hoofd overstemmen. De harde wind die alle zorgen wegblaast. Ruimte. Rust. Ik hou van deze plek.
Wanneer ik bijna terug in het dorp ben, toetert er een auto achter me. Mijn vrouw en mijn zoontje, terug van een ritje naar een ander stuk strand en toevallig verdwaald op net deze verlaten wandelweg.
“En, heb je genoeg tijd alleen gehad?”, vraagt mijn vrouw wanneer ik instap.
“Ja, dit heeft deugd gedaan”, glimlach ik. “Wat mij betreft kunnen we nu samen naar Sluis.”
“Het spijt me dat ik zo uitvloog vanmorgen. Ik had echt schrik dat we deze vakantie helemaal naast elkaar zouden leven. En dan hoeft het voor mij niet meer.”
“Ik had het verkeerd aangebracht, sorry. Ik wil heus nog dingen samen doen. Maar ik heb gewoon die afwisseling nodig. Trouwens, jij mag ook tijd nemen om dingen voor jezelf te doen, hoor. Ik weet dat jij momenteel veel op je schouders moet nemen en dat ik nauwelijks nog een hulp ben.”
“Ik wil gewoon terug meer gelukkige momenten samen.”

2.

Uiteindelijk vallen we om beurten ziek tijdens de vakantie. Zoals typisch is voor vakanties. En toch ga ik goedgemutst terug naar huis. Ik heb meer genoten van tijd voor mezelf èn van tijd met mijn gezin. Ik heb bewezen dat het kan!
Helaas duurt de euforie niet lang. En dat komt door een boek. Een stomme paperback uit de bibliotheek. Hij staat daar te blinken in het rek met nieuwe aanwinsten vlak bij de ingang. ‘Omgaan met burn-out’, schreeuwen de grote letters op de cover. Ik twijfel nog even, maar kan de verleiding niet weerstaan en begin erin te lezen.
Ik heb me tot nu toe ingehouden. Ik ben bewust niet op zoek gegaan naar boeken of artikels over burn-out. Meestal heb je na het lezen nog minder inzicht dan ervoor. Ik ben trouwens ook niet verwoed gaan surfen naar alle mogelijke zelfhulpwebsites en gruwelverhalen op internetfora. Oke, éventjes op de Wikipedia-pagina gekeken misschien. Ik ben ook geen heilige. O, en toevallig een interview op tv gezien met Natalia, die hààr burn-out eerder dit jaar heeft verwerkt door een tijdje in het mega-landgoed van haar vriendin Anastasia te gaan zitten niksen. Ja, zò is het makkelijk natuurlijk, als je het je kunt permitteren om alles achter je te laten. Ik wou dat ik dat ook kon.
Maar nu zit ik dus met dat boek op schoot. Aan sommige stukken heb ik sowieso niks. Die gaan over hoe het werk beter zou georganiseerd worden en al. Alsof ik iets te zeggen heb over alle besparingen, inkrimpingen en eindeloze Grote Hervormingen op het werk! Maar goed, bazen en HR-mensen lezen dit soort boeken ook, dus zij moeten ook bediend worden. Ik hou het op de andere hoofdstukken. Eentje staat vol getuigenissen, die de uiteenlopende beroepen en situaties moeten illustreren waarin burn-out kan voorkomen. Achtereenvolgens komen een psychotherapeut, een informatietechnoloog, een sociaal verpleegkundige, een journalist, een CAO-onderhandelaar en een manager aan het woord. Ik herken me in geen enkel verhaal. Een ander hoofdstuk vertelt over de verborgen patronen in iemands persoonlijkheid die sneller tot burn-out kunnen leiden. Ik lees over ‘parentificatie’ alhier en ‘aangeleerde hulpeloosheid’ aldaar, en ik zie helemaal niks dat op mij van toepassing is. Alleen een behoorlijk onorthodoxe interpretatie van narcisme klinkt een klein beetje herkenbaar, maar toch lijkt het zó ver gezocht. (Trouwens, wie wil er nu als narcist door het leven gaan.)
En dan doe ik de zelftests die in het boek staan. ‘Ik voel me moe, ook al heb ik voldoende slaap gehad’: altijd. ‘Ik ben vaker ziek dan vroeger’: bijna altijd. ‘Ik kan me niet meer concentreren op het werk zoals voorheen’: altijd. ‘Ik zie er tegenop naar het werk te gaan’: altijd. Maar ook: ‘Ik pieker over het werk in mijn vrije tijd’: soms. ‘Ik gebruik alcohol of drugs om me beter te voelen’: zelden. ‘Het werk verveelt me’: nooit. ‘Ik sta onverschillig tegenover mijn werk’: nooit. Enzovoort.
Ontnuchtering: ik raak maar net aan de helft van de maximumscore. Ik loop wel het risico om burn-out te raken, maar ik ben het (nog) niet, zo luidt het verdict. Mijn hart krimpt als een spons die wordt uitgewrongen. Als het helemaal niet zo erg is, wat zit ik dan al zes weken thuis te doen? Wie maak ik wat wijs? Ik hèb helemaal geen burn-out. Eigenlijk belazer ik gewoon de hele boel, mezelf incluis. En dit boek heeft me door de mand doen vallen.

3.

“Je hebt inderdaad geen klassieke burn-out”, bevestigt de psycholoog. “Het gaat bij jou verder dan dat. Er is een onderliggend probleem dat zich op je werk manifesteert, maar dat evengoed thuis tot uiting komt. Dat is eigenlijk altijd zo. Iedere vorm van depressie heeft zowel met het professionele als met het privé-leven te maken. Burn-outs vormen daar geen uitzondering op, ook al focust men daarbij vooral op het werk. Maar zeker bij jou speelt jouw privéleven, of beter gezegd, jouw gedrag in je privéleven, een even grote rol. Meer nog, het is vooral in je privéleven dat je het meeste kunt aanpakken.”
Er kunnen heel wat zaken anders en beter. Uiteraard. Maar deze heb ik echt niet zien aankomen: “Jij gunt jezelf geen moment mentale rust. Iedere seconde dat je niets te doen hebt, vul je met worst. De televisie staat altijd aan, en dan hou je ook nog eens voortdurend het scherm van je pc, je tablet of je smartphone voor je gezicht. Nieuws lezen, filmpjes kijken, chatten, twitteren, surfen, gamen…”
“Ja maar, dat is om te ontspannen!”
“Voel je je er ook ontspannen door?”
“…”
“Al die multimedia vuren voortdurend nieuwe impulsen op je af, licht, kleuren, geluid, en je moet er ook nog voortdurend op reageren. In plaats van je hoofd leeg te maken, prop je het net nog voller met worst.”
Ik wil roepen: iederéén doet dat tegenwoordig! Maar ik zwijg.
“Jij hebt een introverte persoonlijkheid, wat betekent dat je hoofd geregeld rust moet hebben om alles te verwerken en bij te tanken. Maar jij doet precies het omgekeerde. Ieder mogelijk rustmoment geef jij je hersenen nog wat méér impulsen om te verwerken. Waarom denk je dat je ’s avonds niet in slaap geraakt?”
“Ik… ik weet het niet.” Al kan ik het antwoord wel raden.
“Omdat je hersenen zich nog niet kunnen uitzetten, natuurlijk. Er is nog te veel om te verwerken. Ze hebben nog tijd nodig om tot rust te komen. Jíj hebt nog tijd nodig om tot rust te komen.”
Juist geraden.
“Dat is een heel moeilijk patroon om te doorbreken. Je hebt het jezelf zo eigen gemaakt om voortdurend bezig te zijn, dat je gewoon niet meer kùnt rusten. Heb je de laatste jaren nog eens gewoon zitten niets doen?”
“Euh…”
“Probeer het eens thuis. Probeer eens vijf minuten in de zetel te zitten en niks te doen. Letterlijk niks. Geen televisie, geen radio, zeker geen tablet of telefoon. De meeste mensen hebben het daar moeilijk mee, hoor. Probeer het zelf eens.”
En dus zit ik die middag onwennig in de zetel. Ik zet het alarm op mijn gsm over vijf minuten. Ik twijfel nog even of ik een blikje cola moet halen vóór ik begin. Ik doe het toch maar niet. Dan leg ik me neer, ik sluit mijn ogen, en probeer niks te doen. Een. Twee. Drie. Vier. Vijf. Het gaat goed, de seconden tikken voorbij. Tien. Elf. Twaalf. Ik merk dat mijn ademhaling zwaarder wordt. Ik lig te wiebelen met mijn benen en voel krampen opkomen in mijn buik. Vierentwintig. Vijfentwintig. Zesentwintig. Oei! Zonder het te merken heb ik mijn gsm vast en zit ik al tussen de apps te scrollen! Ik leg het ding snel weer op de salontafel. Amper een halve minuut! En ik deed het niet eens bewust! Ik probeer verder te niksen. Het kost me een enorme inspanning. Ik betrap mezelf nog een paar keer met de telefoon in mijn hand. Of met de afstandsbediening. (Waarom heb ik die niet verder uit de weg gelegd?) Vijf minuten niets doen, ik word er gek van. Ik ben echt verslaafd aan impulsen. Dat wordt zwaar afkicken.

4.

Ik ga helemaal niet graag naar de psycholoog. Ik voel me uitgeput na iedere sessie. De confrontatie met mezelf komt keihard aan. En bij psychologen heb ik altijd al het ongemakkelijke gevoel dat ze een nummertje opvoeren. Ergens achter in mijn hoofd knippert steeds een waarschuwingsbordje: “Let op! Die interesse en die begripvolle woorden zijn niet ècht. Ze doen dat alleen maar omdat ze er geld voor krijgen!”
Niettemin moet ik toegeven: deze psycholoog helpt me wel. Ik krijg een boel nieuwe inzichten. Ik leer dat mijn woede-aanvallen (en nadien mijn paniek-aanvallen) eigenlijk een fysieke reactie op stress zijn. Stress die gedeeltelijk veroorzaakt werd door het werk en gedeeltelijk door de situatie thuis, maar, en dat is compleet nieuw, ook gedeeltelijk door mijn eigen persoonlijkheid.
Ik ben immers een introvert. Een echte. Niet zomaar iemand met licht-introverte trekken of zo. Nee, ik ben een volbloed-introvert. Dat is op zich geen probleem – 20 tot 35 procent van de bevolking zou introvert zijn. Het probleem is dat ik me jarenlang heb gedragen alsof ik géén introvert ben. En dat heeft zich gewroken.
Introverten zijn geen muurbloempjes of sociaal gehandicapten, zoals vele mensen denken. Veel introverte mensen kunnen heel goed spreken voor een publiek of zich alles behalve verlegen gedragen op feestjes en netwerkevents. En er zijn ook genoeg voorbeelden van extraverten die niks van een presentatie bakken of er niet in slagen zich in een groep een houding aan te meten.
Introvert zijn heeft niets te maken met hoe je je gedraagt, maar met waar je je energie uit haalt. Voor een extravert is gezelschap van andere mensen een bron van energie. Extraverten hebben voortdurend nieuwe impulsen nodig om zich goed te voelen, door contact met mensen of door nieuwe activiteiten. Een hele dag stil zitten achter een bureau is dodelijk uitputtend voor een extravert. Bij introverten is dat net omgekeerd. Zij halen géén energie uit lezingen, vergaderingen, feestjes en babbels. Het kóst hen energie. Dat betekent niet dat ze het niet kùnnen, dat sociaal zijn. Het betekent wel dat ze moeten zorgen voor recuperatietijd na de sociale contacten, om weer energie op te doen. Introverten recupereren het best door zich even terug te trekken in de rust van hun eigen hoofd, hun eigen gedachten en gevoelens. Net zoals extraverten het best recupereren door even onder de mensen komen.
Er is een neurologische verklaring voor, zo leert het internet me. Extraverten zijn weinig gevoelig voor dopamine, de neutransmitter die een grote rol speelt bij het ervaren van genot, blijdschap en welzijn. Ze hebben dus veel dopamine nodig om zich goed te voelen, en dat lukt best als ze adrenaline aanmaken door heel actief te zijn, nieuwe situaties op te zoeken en veel in interactie te treden met mensen. Introverten daarentegen zijn heel gevoelig voor dopamine. Ze hebben slechts een kleine, strikt afgemeten hoeveelheid nodig. Te veel dopamine geeft introverten te veel prikkels in de hersenen en zorgt voor een snelle uitputting.
Kortom, introverten hebben eigenlijk maar één ding nodig: voldoende rustpauzes om zich terug te trekken. Om hun hoofd leeg te maken, om energie te putten uit afzondering, stilte en rust.
En net dat éne ding heb ik mezelf al jaren ontzegd.

5.

Alles hangt met alles samen. Het kost me een paar weken, maar uiteindelijk begin ik de verbanden te zien tussen mijn problemen. Woedeuitbarstingen, slapeloosheid, lage weerstand tegen virussen, overal ligt uiteindelijk mijn introversie aan de grondslag – of althans het feit dat ik de introvert in mezelf altijd heb miskend. (Nuja, niet alléén dat, maar het is toch wel de hoofdoorzaak.) Ik probeer de verbanden op papier te krijgen, met mindmaps en droedels, en uiteindelijk krijg ik het allemaal op een rijtje. Wat ik nodig heb, hoe ik me werkelijk gedraag, en wat de gevolgen dan zijn.
Als introvert moet ik in de eerste plaats zorgen dat ik me geregeld kan bijladen, in afzondering. Dat loopt dus voortdurend fout. Ik zit altijd en overal in gemeenschappelijke ruimtes. Op het werk delen we één kantoorruimte met z’n vieren – anderhalf jaar geleden zelfs nog met z’n zessen. En wanneer ik niet op ons ‘eiland’ zit, vind je me in vergaderzalen, personeelsrestaurants en allerlei andere drukke ruimtes. Ook thuis zit ik bijna altijd in de gezamelijke leefruimte. Omdat de helft van ons huis nog verbouwd moet worden, is er nog geen afzonderlijke bureauruimte of hobbykamer. Ook thuis kan ik me dus moeilijk afzonderen. En alsof dat nog niet genoeg is, laat ik mezelf ook te veel verleiden tot sociaal gedrag. Praatjes op de trein, lunchen met een grote groep collega’s… Op ons ‘eiland’ hebben we er een gewoonte van gemaakt om voortdurend allerlei opmerkingen, frustraties en ideeën met elkaar te delen. Over het werk, én over andere zaken. En tussendoor zet ik dan nog permanent computervenstertjes open met twitter, facebook, yammer en andere sociale media.
Als introvert functioneer ik best in een stimulus-arme omgeving. Dat loopt dus ook voortdurend fout. Niet alleen door die talloze computervenstertjes. Ook offline probeer ik steeds weer honderd dingen tegelijk te doen, zowel thuis als op het werk, waardoor mijn aandacht hopeloos verdeeld raakt. En wanneer ik toch nog een leeg moment heb, zit ik dat op automatisch piloot te vullen met nog méér stimuli.
Als introvert heb ik tot slot nood aan duidelijke grenzen. Grenzen aan de tijd: tijd voor mijn gezin, tijd voor collega’s, tijd voor mezelf, tijd voor deze of gene taak. Grenzen aan aandacht: ik ben het meest productief als ik mijn aandacht op slechts één gesprek of bezigheid tegelijk kan richten. Met een gerichte focus dus. Maar ook dat loopt dus voortdurend fout. Door al dat multitasken. Maar ook doordat ik, met een behoorlijk passieve houding, alles maar laat komen zoals het komt, zonder zelf grenzen te stellen aan wat anderen vragen. Voeg daar nog een abominabele planning bij (àls ik al een planning voor mezelf opstel, bestaat die uitsluitend uit deadlines, zonder nader te bepalen hoe ik die deadline kan halen en óf ze überhaupt wel haalbaar is), en het recept voor problemen is compleet.
De gevolgen zijn onvermijdelijk groot. Doordat ik mezelf te weinig toelaat om in afzondering bij te tanken, heb ik al mijn energiereserves opgeteerd, tot ieder sprankeltje energie verdwenen is. Tegelijk voel ik me voortdurend rusteloos, een reactie op het gebrek aan recuperatie en op de eindeloze stroom stimuli. ’s Avonds lukt het dan natuurlijk niet om in slaap te raken: zolang ik niet de nodige stimulus-arme rust heb gehad, weigeren mijn geest én mijn lichaam in slaap te vallen. Samen met het gebrek aan focus leidt dat allemaal tot steeds grotere moeite om me te kunnen concentreren, en uiteindelijk tot echt vluchtgedrag. Ik vlucht weg van problemen, ik schuif steeds meer dingen voor me uit, ik vlucht weg in nog méér fout gedrag (nog méér multimedia, nog méér multitasken, enzovoort). En dan komt het moment waarop de stress te groot is om nog te kunnen vluchten. Dat is het moment waarop alles kantelt en de blinde paniek toeslaat. Op dat moment komen de ongecontroleerde woedeaanvallen en angstaanvallen. Op dat moment sla ik helemaal door.
En achteraf volgt dan het gevoel niks meer waard te zijn. De vloek is dat ik ook nog eens perfectionist ben. (Vandaar ook mijn neiging tot uitstellen: als ik niet het gevoel heb dat ik iets perfect zal kunnen doen, begin ik er liever helemaal niet aan.) En als perfectionist kan ik eigenlijk niet om met mijn eigen falen. Faal ik toch, dan voel ik me volstrekt incompetent, een complete mislukking, nergens meer goed voor.

6.

Alles hangt met alles samen. En dus hangen ook alle oplossingen samen om uit mijn burn-out te raken. Ik kan me bijna niet voorstellen dat ik dit niet eerder doorhad. Het klinkt allemaal zo logisch en eenvoudig. Ik moet een eigen fysieke ruimte creëren, zeker thuis (want op het werk lijkt me dat sowieso onmogelijk). Mezelf geregeld in afzondering terugtrekken. Die afzondering bewust stimulus-arm houden. Mijn multimediagebruik afbouwen. Het multitasken afbouwen. Voortaan focus leggen op één activiteit tegelijk. En dat impliceert ook grenzen stellen aan anderen, en een gedetailleerde zwart-wit-planning maken. Leren aanvaarden dat sommige taken uitgesteld moeten worden. Niet alleen op het werk, maar ook thuis, vooral ’s avonds, zodat ik op tijd in slaap kan raken. En anderen duidelijk informeren wat ik van plan ben, wat ik wel en niet kan doen, enzovoort.
Ik moet lachen wanneer ik dat allemaal in het lang en het breed op papier zet – ik lijk wel een beleidsnota over mezelf te schrijven, compleet met strategische doelstellingen en SMART geformuleerde actiepunten en al.
“Je nachtrust is het belangrijkste”, zegt de psycholoog me. “Zonder voldoende nachtrust heb je niet genoeg energie om de rest goed aan te pakken.” Dat betekent: al mijn bezigheden vroeger op de avond stoppen – ik mik op 10 uur. Computer uit, televisie uit, afwas laten voor wat ze is. Mezelf een half uurtje rust en stilte geven. En geen schermen meer meedoen naar boven, hooguit een papieren tijdschrift of boek om nog even in te lezen.
Daarnaast begin ik best al te oefenen op aandacht en focus. In de vooravond, het drukste moment bij mij thuis. “Probeer dat anders aan te pakken”, raadt de psycholoog me aan. “In plaats van alles door elkaar te laten lopen, deel je de tijd eens op in duidelijk afgescheiden momenten: tijd waarin je met je volle aandacht met je zoon speelt, tijd waarin je uitsluitend luistert naar wat je vrouw wil vertellen, tijd waarin je je focust op huishoudelijke klusjes, en tijd waarin je jezelf even in afzondering terugtrekt.”
Ik doe de test. ’s Avonds aan tafel luister ik een kwartier aandachtig naar wat mijn vrouw op haar werk heeft meegemaakt. En daarna trek ik mezelf een kwartiertje terug in de slaapkamer. Niet meer. Ik doe alle lichten uit, leg me neer en denk aan niks in het bijzonder. Mijn gedachten fladderen wat heen weer, zonder ergens neer te strijken. Het werkt: na die vijftien minuten kan ik me zonder zuchten met de kleine bezig houden. En wat meer is: ik heb geen enkele keer naar mijn gsm gegrepen! Mijn vrouw is ook tevreden. “Het deed deugd dat je echt luisterde naar wat ik zei, in plaats van het gesprek zo snel mogelijk af te breken. Ik voelde me er een beetje beter door”, zegt ze later.
Als ik dat elke avond zou kunnen volhouden…

7.

“Je maakt te weinig vorderingen. Ik laat jou zo niet terug aan het werk gaan.” De psycholoog is hard. Ik mag dan al begrijpen wat ik anders moet doen, in de praktijk blijf ik hardnekkig in oude gedragspatronen steken.
Ik probeer wel te veranderen. Het lukt me al om tegen middernacht in slaap te raken. En sinds een dag of wat voel ik me niet meer zenuwachtig als de was ’s avonds nog niet uit de wasmachine is gehaald. Ik begin het te kunnen, taken loslaten zónder schuldgevoel. Maar ik blijf ook dingen voor me uit schuiven die wèl dringend zijn. Ik ging een afgezonderd plekje voor mezelf creëren in de slaapkamer: een paar stapels opbergdozen en ongesorteerde rommel uit de hoek opruimen om er een klein bureautafeltje te plaatsen, voor mij alleen. Daar is nog niks van gekomen. Ik begin te trillen telkens ik er nog maar aan dènk. En dan vlucht ik weer weg in Facebooken en televisiezappen. Oude patronen veranderen maar langzaam. Te langzaam.
Mijn tweede maand ziekteverlof is bijna voorbij. De woedeaanvallen zijn intussen weggedeemsterd. Maar paniek en angstaanvallen steken nog geregeld de kop op. Ik kan ze vermijden door elke dag zo leeg mogelijk te plannen: beetje huishouden in de voormiddag, fietstochtje na de middag, beetje lezen of schrijven in een rustige koffiebar. En voor de rest: veel lege uren. Uren om te rusten en te niksen. En af en toe, omdat het nu eenmaal niet anders kan, een vervelende verplichting ertussen – een tandartsbezoek of een winkelronde in de Colruyt bijvoorbeeld. Er moet echter maar één onverwacht telefoontje tussenkomen – mijn vrouw die belt dat ze wat langer moet blijven werken bijvoorbeeld – en ik sla alweer in paniek.
De stress en drukte van een echte werkdag kan ik zeker nog niet aan. “Binnen de week stort je dan weer in”, voorspelt de psycholoog. “Je hebt wel al enkele goede stappen gezet, en ik zie dat de wil er is. Maar je hebt nog tijd nodig om meer gedragspatronen van jezelf te veranderen. Daar kun je beter thuis op oefenen.”
“Ik dacht anders van misschien al deeltijds te gaan werken? Ik kan toch niet nog een maand weg blijven. Dat zijn er al drie op een rij dan!”
“Denk je dat je bij je werkgever in de problemen komt als je nog langer afwezig blijft?”
“Nee, dat niet. Ik ben gelukkig vastbenoemd, ze kunnen me niet ontslaan omwille van ziekteverlof. En er zijn de voorbije jaren al heel wat collega’s op onze afdeling een tijdje uitgevallen met een burn-out. Ook mijn eigen teamhoofden. Allebei. Ze zullen daar zeker begrip voor hebben.” Hoop ik.
“Dan raad ik je toch aan om nog niet terug te keren. Jij hebt nog meer tijd nodig. Je nieuwe gedragspatronen moeten een automatisme zijn geworden vóór je de stap kunt zetten om die patronen ook in je werk toe te passen.”
Ik zucht. Eigenlijk had ik me er al bij neergelegd dat ik nog een maand langer thuis zou zitten, besef ik plots. Maar ik wou het niet aan mezelf toegeven. Alweer schaamte omdat ik faal, tegenover mijn collega’s en tegenover mezelf. En alweer een schuldgevoel omdat ik stiekem blij ben dat ik nog thuis mag blijven. “Goed”, zeg ik stil.
“Met jouw toestemming stuur ik een rapport over onze gesprekken maar je huisarts. Dan kun je met haar bespreken hoe lang je nog ziekteverlof nodig hebt.” En dan dropt hij een nieuw bommetje: “Misschien moet je het met haar ook eens hebben over een antidepressivum. In jouw geval kan dat je genezing versnellen.”

Vorige hoofdstuk  –  Volgende hoofdstuk

2 gedachtes over “Hoofdstuk 3

  1. Pingback: De nieuwe definitie van burn-out | Alweer een opgebrand geval

  2. Pingback: Waarom ik de Big Five stiekem tóch niet vertrouw | Alweer een opgebrand geval

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s