En toen was ik hartpatiënt

BeterschapskaartjesWat vooraf ging: hoe ik op intensieve belandde.

 

Alles komt in orde. Er zijn nu dokters en verplegers en monitors en buisjes vol zuurstof en buisjes vol preparaten en een weids uitzicht op de stad met haar drie torens die baden in de volle zon onder een azuren hemel die zo zacht zindert dat ze mijn ogen luikt. Alle zorgen en paniek en doodsangst zijn op slag verdwenen. Zodra ik op het bed lig in de intensieve hartbewaking weet ik één ding zeker: nu gaan ze me genezen, nu komt het wel in orde.

Voor anderen starten de zorgen en de paniek nu pas. Eigenlijk is slechts een half uurtje bezoek toegestaan, maar daar laat mijn familie zich niet door tegenhouden. Ze staan er op de wildste uren – bang dat het de laatste keer is dat ze me nog kunnen spreken?

 

Een dag later

Ik weet niet welke cocktail ze in mijn bloed pompen, maar ik voel me instant beter. Ik slaap uren door, zonder wakker te schrikken op de bodem van de zee. Alles wordt voor mij gedaan, zelfs voor een plasje hoef ik het bed niet meer uit. Ik gebruik de gewonnen tijd om te antwoorden op de tekstberichtjes die binnenstromen. Veel sterktes en beterschappen en courages. En hartjes op Facebook.

Een week lang moet ik een hele serie onderzoeken doorlopen. Echografieën, radiografieën, isotopenonderzoeken, longtests… Ik wissel zelfs even van hospitaal, voor een hartkatheter. Via een sneetje in je lies duwt de cardioloog dan een heel dun slangetje door je slagaders tot aan je hart. De lokale verdoving neemt de pijn weg, maar je blijft wel alle gewroet voelen. Meest. Voze. Ervaring. Ooit. Nu weet ik wat een toiletpot doormaakt wanneer je er een ontstoppingsveer in draait.

 

Een week later

Een nieuwe mijlpaal: ik zit al de hele voormiddag zonder zuurstofbril in de zeegroene zetel. Ademen lukt terug vrij, zonder gepiep of gesnak. Mijn uitzicht op de skyline van Gent is inmiddels ingeruild voor een zicht op de zijmuur van het hospitaal. Geen doodsnood meer, geen verre einder meer. Ik trek het me niet aan, ik heb intussen een tablet met Netflix.

Ik leer heel wat medische begrippen bij. Zoals de ejectiefractie, of het percentage bloed dat je hart per hartslag uit een hartkamer naar buiten pompt. Bij een gezond hart bedraagt de ejectiefractie van de linkerhartkamer pakweg 60 tot 70 procent. “Toen jij hier binnenkwam, zat je nog maar aan 11 procent”, zeggen ze me. “Ik ben verbaasd dat je nog op eigen kracht tot hier bent geraakt, jij had allang moeten flauwvallen!”

Maar mijn favoriete medische term komt even later, wanneer een van de artsen de uitslag van alle onderzoeken komt bespreken:

“De oorzaak is idiopathisch.”
“Ah. En wat betekent dat?”
“Dat betekent dat we de oorzaak niet weten.”
“…”

 

Twee weken later

Eindelijk word ik ontslagen. Na nog dagen bloedonderzoeken (o wat haat ik die naalden in mijn lijf!), vochtafdrijving en fijnstemmen van de dosis medicijnen, ben ik voldoende gestabiliseerd om naar huis te gaan.

De cardioloog wist natuurlijk wél wat er met me scheelde. Door eliminatie van alle andere mogelijke oorzaken bleef er maar één oorzaak over (die twee maanden later door een dure MRI-scan uiteindelijk ook bevestigd zal worden). Een infectie op een ander lichaamsdeel – wellicht op mijn keel – heeft zich overgezet op mijn hartspier. Daardoor is de hartspier ontstoken en enorm beginnen opzwellen, waardoor de pompkracht van mijn hart steeds afnam, waardoor mijn bloed niet meer goed rondstroomde, waardoor zich vocht opstapelde in mijn longen en mijn lijf, waardoor mijn hart probeerde te compenseren door sneller te pompen, waardoor de infectie nog erger werd… Myocarditis door een rondzwervende infectie: het komt niet vaak voor, en ik ben dus een van de zeldzame pechvogels.

De ontsteking hebben ze gestopt in het hospitaal. Maar daarmee is mijn hart nog niet hersteld. Een gebroken arm of een gescheurde kuitspier is makkelijk te genezen: een paar weken stilhouden met een spalk of een gips, et voilà. Maar een hartspier kun je niet stilhouden. Die moet blijven pompen, onverbiddelijk, iedere seconde opnieuw. Het enige wat ik nu kan doen, is heelder dagen thuis blijven en rusten, om mijn hart zo weinig mogelijk te belasten, zodat het een klein beetje ruimte krijgt om te herstellen. Een mix van bètablokkers, ACE-remmers en vochtafdrijvers moet dat genezingsproces wat makkelijker maken. Maar het zal hoe dan ook een hele tijd duren. Een jaar, of langer, wie zal het zeggen?

Het is niet eens zeker dat mijn hart überhaupt zal herstellen. De schade kan permanent zijn. En dan beland ik op de wachtlijst voor een harttransplantatie…

 

Twee maanden later

Ik ben kine gestart. Om precies te zijn: inspanningstherapie voor hartpatiënten. Of een terugbetaalde fitness in de oefenzaal van het hospitaal, onder het toeziend oog van een kinesist. En het stelt echt niet veel voor. Tien minuten op de hometrainer, beginnen met 60 omwentelingen per minuut, aan 40 watt. Rusten. Tien minuten op de loopband, starten met 3 kilometer per uur. Weer rusten. En dan, als ik nog energie over heb, nog even een derde toestel naar keuze. Na verschillende sessies mag ik de duurtijd, wattage en snelheid een beetje opdrijven.

De bedoeling is mijn conditie wat op te bouwen, zodat mijn hart stilletjes aan grotere inspanningen aankan zonder meteen aan zijn limieten te zitten. Dat is niet evident. De eerste weken na het hospitaal was zelfs een wandeling naar de buurtsupermarkt een uitputtingsslag, goed om de rest van de dag plat te liggen in de zetel. Een maand lang behoorde ik tot Team Auto: als ik ergens niet voor de deur kon parkeren, dan ging ik er liever helemaal niet heen. Ik begrijp nu de, veelal oude, mensen die klagen omdat ze niet meer met de auto tot hun koffie- of pannenkoekenhuis in het stadscentrum mogen rijden. Met een lichaam dat nee zegt, kun je niet onderhandelen.

 

Vier maanden later

Tussentijdse echografieën van mijn hart tonen een goed herstel. Zo goed dat mijn cardioloog me toestaat om terug halftijds aan het werk te gaan.

Dat gaat natuurlijk niet zonder rompslomp. Eerst moest mijn eigen dokter mij dus onderzoeken en neerschrijven dat ik in staat ben tot halftijds werken. Maar daarna moet ook een arbeidsarts van het werk mij onderzoeken en neerschrijven dat ik in staat ben tot halftijds werken. En tot slot moet ook een adviserend geneesheer van de mutualiteit mij onderzoeken en neerschrijven dat ik in staat ben tot halftijds werken.

Het werken zelf gaat gelukkig vlotter. Ik mag zelf uittesten welke taken ik al terug kan opnemen en welke nog een tijdje in de kast blijven liggen. En halve dagen werken is uiteraard ook geen probleem. Blij dat ze zijn dat ik überhaupt terug aan het werk kan. Ik heb chocoladehartjes mee om de collega’s te bedanken voor de vele kaartjes en wensen die ik de voorbije maanden heb gekregen.

Ik leer nieuwe grenzen kennen. Eigenlijk wil ik ’s middags nog niet afsluiten: terug met mijn job bezig kunnen zijn geeft me een mentale boost, en die wil ik niet loslaten. Maar in de namiddag komt de fysieke weerslag: ik val in een diepe slaap en schrik pas uren later weer wakker, wanneer ze me wekken voor het avondeten.

 

Twee jaar later

Een nieuwe isotopenscan brengt goed nieuws! De ejectiefractie van mijn linkerhartkamer is gestegen naar 56 procent! Daarmee zit ik eindelijk weer in de veilige zone! “Mocht ik je voorgeschiedenis niet kennen, dan zou ik denken dat dit een normaal functionerend hart is”, aldus de cardioloog. Toch speelt hij liever op zeker. Ik moet nog steeds mijn medicatie blijven slikken. En volgend jaar nog eens op controle komen.

Ik weet niet of ik ooit van de medicatie af zal raken. Misschien wel. Wie weet. Maar ik zal nooit meer precies de oude zijn. Mijn lichaam heeft er een litteken bij. Ik kan het niet zien, niet voelen, niet aanraken. Niettemin is het aanwezig in de kern van mezelf. Een pok op mijn leven.

En toch. Sinds kort is er dat ene, ultieme lichtpuntje waar ik me aan optrek. ’s Nachts ben ik weer klaarwakker op het spookuur. Net als vroeger. Als dàt kan herstellen, dan kan àlles!

 

Hoe ik op intensieve belandde

AZ Jan Palfijn— Dit verhaal dateert van ver vóór corona. —

 

Ik zit te wachten op een blauw plastic stoeltje en kijk door het raam naar een grijze ziekenhuisparking. Ik heb vreselijke dorst, drink vier of vijf bekers tapwater na elkaar. Ik sta recht, want zitten beneemt me de adem. Ik ga terug zitten, want staan maakt me duizelig.

De bloeddrukmeter pakt niet. Ze proberen het met een tweede, een derde toestel, tot ze toch wat bruikbare cijfers hebben. De specialist kijkt fronsend naar het scherm met de echobeelden, en zegt niet veel. Dat hij nog geen uitspraak kan doen. Dat hij me even in observatie wil houden.

Even later lig ik aan een infuus, een zuurstofbril en een permanente monitor in de CCU.

 

Drie uur eerder

Ik sta op met een nieuw symptoom. Mijn enkels en mijn voeten, gisterenavond nog normale lichaamsdelen, zijn in één nacht veranderd in dikke witte pensen. Het oordeel van dokter Google over die plotse zwelling is onverbiddelijk (en voor één keer correct): levensbedreigend. Paniek! Ik bel naar het werk voor spoedverlof en ga voor de derde keer deze week naar de huisarts. Die is kordaat: “Jij gaat nu meteen naar het ziekenhuis. Je rijdt niet zelf, je laat maar iemand anders rijden. Desnoods neem je een taxi.” Ze aarzelt niet langer: ze belt de specialist en eist dat ik me deze voormiddag nog tussen de andere patiënten mag wringen.

 

Een dag eerder

De uitslag van het bloedonderzoek is eindelijk binnen. Helaas, de minder ernstige oorzaken kunnen we allemaal uitsluiten. Het ligt niet aan mijn schildklier, of een tekort aan andere stoffen in mijn bloed. De huisarts verwijst me dan toch maar door naar de specialist. Niet tijdens de consult-uren in het ziekenhuis, want daar loopt de wachttijd al snel op tot zes à acht weken. In zijn privépraktijk kan het al over twee weken.

Nog twee weken afzien.

Later die dag schuifel ik door de buurtwinkel naast het werk. Een collega legt een hand op mijn schouder. “Het gaat niet, he.” Geen vraag, een vaststelling. “Vertel me nu maar wat er aan de hand is.” Het is de eerste collega aan wie ik het beken: ik vrees dat mijn lichaam kapot is. Ik vrees dat we niet lang meer collega’s zullen zijn.

 

Een week eerder

Ik zit in een huisje in de Ardennen, op schrijfweek met tien andere schrijvers. Normaal maak ik elke dag een aangename wandeling, langs velden met klaterende beekjes of door bossen vol paarse hyacinten. Niks van dat alles dit jaar. De eerste dag raak ik nog tot het tankstation aan het andere einde van het dorp. De laatste dag raak ik zelfs niet meer halfweg. Ik moet een kwartiertje uithijgen op de trappen van het dorpskerkje voor ik de terugtocht van twee straten aankan.

 

Twee weken eerder

Waar zat ik toch met mijn gedachten? Waarom ga ik met zo’n zwak gestel op de skilatten staan? Dit is zonder twijfel het slechtste idee van het jaar.

Maar ja, we hadden het aan de zoon beloofd, en hij keek er zo naar uit. Ik doe iedere dag mijn best om een paar uurtjes achter hem aan op de groene pistes te glijden. De negenjarige leidt, ik probeer te volgen. Na twee uur ben ik compleet uitgeput. En dan moet ik nog die trap naar onze kamer op…

 

Drie weken eerder

“Wanneer is die vermoeidheid begonnen?”
“Een paar maanden geleden al. Eerst merkte ik dat fietsen een hele opgave werd, mijn benen wilden niet mee en ik kreeg er pijn van in mijn middenrif. Toen merkte ik dat ik geen trap meer kon oplopen zonder naar adem te happen. Ik dacht gewoon dat mijn conditie verslechterd was door slaapgebrek of stress of zo. Maar nog wat later kreeg ik het ook als ik de trap naam beneden nam, of als ik gewoon een vlak stukje wandelde. Gewoon stappen, he, niet eens snel. Honderd meter en ik moet vertragen, of stoppen, of even neerzitten en hopen dat niemand me een vraag stelt.”
“En nu kun je dus ook niet meer slapen?”
“Nee, mijn adem piept en kraakt, en ik kan niet platliggen. Dan schok ik wakker met het gevoel dat ik stik, dat ik in de zee zink en alleen maar water kan happen!”
“Ja, ik hoorde wat toen ik naar je longen luisterde. Heb je het ook overdag moeilijk om te ademen?”
“Dat… lukt nog wel. Als ik geen grote inspanningen doe.”
“Oké, dit kan verschillende oorzaken hebben. Waarschijnlijk is je schildklier de boosdoener. Dat is eenvoudig te behandelen, maar we moeten het wel eerst onderzoeken. Ik stel voor dat we je bloed laten trekken. Doe het maar rechtstreeks bij het labo, dat is slechts enkele straten hiervandaan. Ik geef je een formulier mee.”
“M… mag ik wachten tot na het verlof? We vertrekken morgen al, alles is geboekt en betaald.”
“Tja. Ik zou het je niet aanraden, maar je voelt zelf wel het best wat je lichaam aankan.”
“Dan wacht ik wel. Ik loop er nu al maanden mee rond, één of twee weken extra zal er nog wel bij kunnen. Enneuh, dokter?”
“Ja?”
“Wat… wat als het niet aan mijn schildklier ligt?”
“Hm, het is onwaarschijnlijk, want je rookt niet, je behoort niet tot een risicogroep, je hebt geen gekend erfelijk risico, maar er ís een kleine kans dat dit alles komt door een probleem met je hart.”

 

Lees verder: En toen was ik hartpatiënt.

Waarom ik de Big Five stiekem tóch niet vertrouw

In mijn vorige post legde ik uit waarom de minder bekende Big Five een veel beter model is om over je persoonlijkheidskenmerken te spreken dan de populaire MBTI.

Toch ben ik geen zeloot. Ik heb zo ook mijn vraagtekens bij de Big Five.

 

Het waardeoordeel van de Big Five

Een van de belangrijkste sterktes van de Big Five, haar wortels in empirisch onderzoek op woorden uit het dagelijkse taalgebruik, is volgens mij ook haar grootste zwakte. Want woorden geven in het dagelijkse taalgebruik niet enkel een beschrijving. Woorden vellen ook een waardeoordeel. Zo werkt taal nu eenmaal.

Stel dat ik jou zeg: “Mijn baas is erg aangenaam.” Jij zult al bij voorbaat een positief beeld (of vooroordeel) hebben over mijn baas, ook al heb je haar nog nooit ontmoet. Als jij dan antwoordt: “Mijn baas is erg onaangenaam en wantrouwig.” Dan krijg ik al meteen een negatiever beeld (of vooroordeel) over je baas, ook al ken ik haar helemaal niet.

Hetzelfde geldt voor de andere dimensies: ‘zorgvuldig’ houdt een positief waarde-oordeel in, ‘onzorgvuldig’, ‘rommelig’ of ‘chaotisch’ gewoonlijk niet. ‘Emotioneel stabiel’ klinkt zeer positief, ‘neurotisch’ klinkt erg negatief. En ik gok zo dat de meeste mensen liever de eigenschap ‘open’ op hun kop gekleefd krijgen dan ‘gesloten’.

Helemaal erg vind ik dat ook de dimensie extraversie-introversie zo’n waarde-oordeel inhoudt. Wie de resultaten van de factor-analyses wat ernstiger onder loep neemt, ziet dat introversie meer met negatieve termen wordt geassocieerd dan extraversie. En daar heb ik een persoonlijk bezwaar tegen.

 

Wetenschappers vs. mensen

Nu kun je van wetenschappers wel verwachten dat ze abstractie maken van die waardeoordelen. Als pakweg scheikundigen geen emoties voelen bij benamingen als Strontium en Darmstadtium, dan moeten ook psychologen in staat zijn de benaming van persoonlijkheidskenmerken te gebruiken als puur neutrale beschrijvingen.

Maar kun je die abstractie ook verwachten van gewone mensen, zoals jij en ik? Neen. Want dat is niet hoe het menselijke brein werkt.

Stel je voor: je bent arbeidspsycholoog en je zegt zo neutraal mogelijk tegen een sollicitant: “U scoort lager dan gemiddeld op de factor zorgvuldigheid”. Goed geprobeerd, maar dat is niet wat die sollicitant hoort. Wat die hoort, is iets als dit: “Je bent een vreselijke sloddervos, dus er is geen plaats voor jou tussen serieuze mensen zoals ons. Wat zit er eigenlijk in die rommelige kop van je dat je dacht hier een kans te maken? Jij bent niet normaal, jij.”

Een wetenschapper mag nog honderd keer uitleggen dat het hier niet om waardeoordelen gaat en dat de gebruikte termen louter arbitrair gekozen zijn bij gebrek aan beter. Het zal nooit doordringen. Nooit.

Ik herhaal: nooit.

 

Met andere woorden

Precies dààrin schuilt de kracht van MBTI. Geen énkele term uit het MBTI-jargon heeft in het dagelijkse taalgebruik een negatieve connotatie. De zestien MBTI-categorieën worden stuk voor stuk met positieve termen bedeeld, die steeds een positief waarde-oordeel inhouden. Volgens mij is dàt de hoofdreden waarom MBTI zo populair is en zo populair blijft. MBTI geeft je altijd een goed gevoel.

En dat is wellicht de grootste uitdaging voor de Big Five. Je hoeft mensen niet met bewijzen om de oren te slaan dat MBTI niet wetenschappelijk is en de Big Five wel; daarmee overtuig je slechts een zeer kleine minderheid. Je moet de Big Five gewoon aantrekkelijker maken. Zoals Adam Grant schrijft: “Right now, though, the biggest problem facing the Big Five is one of marketing. Most people prefer to be called agreeable than disagreeable — we need to repackage this trait as supportive versus challenging. I hope some of you will take up the challenge.”

De verzameltermen waarmee we de vijf factoren van de Big Five benoemen, zijn door onderzoekers bedacht. Die kun je probleemloos door andere termen vervangen, zonder de onderliggende empirische data geweld aan te doen. Wat als je een lage score op ‘agreeableness’ niet meer als ‘wantrouwig’ of ‘tegenwerkend’ omschrijft, maar als ‘uitdagend’ of ‘gedachtenprikkelend’? Je verandert de onderliggende factoren niet, maar je maakt de Big Five wel in één klap een pak verteerbaarder voor het gros van de mensen.

 

Ik kies voor mijn talent

Enkele talentenkaartjes van de methodologie 'Ik kies voor mijn talent'Ik weet dat het kan. De HR-wereld stikt gewoon van de ‘instrumenten’ en ‘toolboxen’ die iedere mens met een positieve term benaderen. Zelfs zonder de wetenschap geweld aan te doen.

Ik heb enkele jaren geleden de kans gehad om de methodologie ‘Ik kies voor mijn talent’ van Luk Dewulf uit te testen. Talenten zijn volgens Dewulf “patronen in ons denken en in ons handelen die van nature sterk zijn ontwikkeld”.

Dewulf heeft zo’n 39 mogelijke ‘talenten’ onderscheiden. Het gaat telkens om combinaties van persoonlijkheidskenmerken, attitudes en gedragingen. De methodologie is niet gratis ter beschikking, dus ik ga ze niet in detail uiteenzetten. Maar ik geef een voorbeeld.

Ik ben zelf een perfectionist, een eigenschap die wat dubbel is: sommigen vinden dat positief, anderen eerder negatief. Op zijn minst een dubieuze term dus. Welnu, bij Dewulf heet ik een ‘foutenspeurneus’. In het kort: “Ik zie heel snel fouten en inconsistenties en geniet ervan als iets helemaal af en foutloos is.” Daar kan ik ook te ver in doorschieten, bijvoorbeeld: “de behoefte aan waardering van collega’s uit het oog verliezen”. Gelukkig zijn er ook technieken (of hefboomvaardigheden, in het jargon van Dewulf) om het overdrijven van dat talent te counteren, zoals “op je lip bijten als je een fout ziet en eerst benoemen wat wel goed is”.

De taal die Dewulf kiest, zorgt ervoor dat ik me niet veroordeeld voel. Ook al heeft mijn perfectionisme negatieve kanten, het blijft uiteindelijk overeind met een positief eindoordeel, als iets dat ik mag omarmen als een goede eigenschap. Tegelijk heb ik toch stiekem inzicht meegekregen over de negatieve kanten, zonder dat ik me er slecht over voel.

Zó doe je dat dus.

 

Make the Big Five great again!

Als wetenschappers de Big Five populairder willen maken en pseudo-wetenschap zoals MBTI willen zien verdwijnen, zullen ze er niet komen met nog maar eens een artikel waarin de onwetenschappelijkheid van MBTI wordt verkondigd. Ze moeten hun eigen terminologie herdenken en de Big Five in een aantrekkelijker verpakking steken.

Want mensen vallen niet voor wetenschappelijk bewijs. Mensen vallen voor hun eigen gemak.

En dan zal ooit, wie weet, de Big Five populairder worden dan de MBTI.

 

Never mind the MBTI, here’s the BIG FIVE!

In mijn vorige post zei ik dat ik de MBTI niet echt geloof. We zouden beter stoppen onszelf in een van de MBTI-hokjes te wringen.

Maar is er dan een beter alternatief om je persoonlijkheidskenmerken te beschrijven?

Jawel! Dat alternatief heet de ‘Big Five’, dat veel meer wordt gebruikt in wetenschappelijke middens maar veel minder gekend is op internet.

 

De vijf dimensies van de Big Five

Kort samengevat: de Big Five ziet vijf dimensies (of ‘factoren’) die jouw persoonlijkheidskenmerken samenvatten. Elk van die vijf dimensies moet je zien als een schaal, waarop je van zeer hoog tot zeer laag kunt scoren:

1. Extraversion (extraversie). Een lage score op deze schaal kun je introversion (introversie) noemen.

2. Agreeableness (aangenaamheid, of gericht zijn op samenwerking en anderen helpen). Een lage score wordt dan beschreven met concepten als anger, suspicion of antagonism (wantrouwen, of meer gericht zijn op eigenbelang).

3. Conscientiousness (zorgvuldigheid). Een lage score wijst dan, weinig verrassend, op unconscientiousness (onzurgvuldigheid).

4. Neuroticism (neuroticisme of emotionele instabiliteit). Een lage score noemt men dan emotional stability (emotionele stabiliteit).

5. Openness to experience (openheid voor nieuwe ervaringen en/of meerdere invalshoeken). Een lage score betekent dan dat je veeleer closed-minded (gesloten en/of koppig) bent.

(Merk op dat je met de eerste letter van elke dimensie het woord OCEAN kunt vormen. Daarom worden de ‘Big Five’ ook wel eens ‘het OCEAN-model’ genoemd.)

 

Een redelijk stabiele, open introvert. Of toch iets wat daar op lijkt.

Hoe zit dat met mijn eigen score?

Ik heb verschillende Big Five-testen op internet vergeleken (zoals deze, deze en deze), één standaardtest op papier, en de resultaten van een selectietest van enkele jaren geleden.

Screenshot van resultaten op de Big Five-test

Op de factor Extraversion scoor ik, weinig verrassend, bijzonder laag. In zowat elke test blijk ik tussen de uitschieters te zitten die hier het laagst op scoren. Gewoonlijk een score van zo’n 1,5 à 2 op een schaal van 1 tot 5.

Op de factor Openness to experience scoor ik dan weer bijzonder hoog. In alle testen zit ik in de top 20% tot top 10% van alle mensen. In één testversie scoor ik zelfs het maximum van 5 op 5.

Ook op de factor Agreeableness zit ik, met een score van zo’n 3,5 à 4 op een schaal van 1 tot 5, gewoonlijk in de top 20% tot top 10% van alle mensen. Al gaven twee testen hier net de omgekeerde uitkomst: slechts 17 procent van de mensen zou nog lager scoren dan ik. (Ik ben er zeker van dat al die anderen op die test gelogen hebben! Mensen zijn duidelijk niet te vertrouwen! 😉 )

Bij de factor Conscientiousness lijk ik in de meeste testen wat rond het gemiddelde te zweven – ongeveer 3,50 op een schaal van 1 tot 5. Al was er ook hier één test waarin ik beduidend lager scoorde.

De factor Neuroticism tot slot toont een evenwichtiger beeld dan ik van mezelf had. Een paar testen situeren me daar rond het gemiddelde, bij andere scoor ik lager en hoor ik tot de laagste 20% à 25% van alle mensen (rond de 2,75 op een schaal van 1 tot 5).

Dat niet elke test het zelfde resultaat geeft, heeft wellicht te maken met verschillen in vraagstelling. En met het feit dat ik niet elke test op hetzelfde moment heb ingevuld. En wellicht ook met het feit dat niet elke test met dezelfde populatie vergelijkt.

Maar op de factor Agreeableness na geven de resultaten wel een duidelijke beeld van mijn persoonlijkheidskenmerken.

 

Waarom ik de Big Five wél vertrouw

In tegenstelling tot bij MBTI, word je bij de Big Five niet artificieel aan één uiteinde toegewezen. Je relatieve plaats op de schaal blijft belangrijk; je scoort bijvoorbeeld voor de extraversie-dimensie “3.55 op een schaal van 1 tot 5, wat slechts een klein beetje extraverter is dan het gemiddelde bij vergelijkbare personen”. Je krijgt dan niet nonchalant de letter E op je kop geplakt, alsof je in niks verschilt van iemand die de volle 5 op 5 scoort.

Een groot probleem van MBTI is dat het een theoretisch concept is, gebaseerd op weinig empirische gegevens en nadien ook niet gevalideerd door voldoende empirische gegevens. Myers en Briggs hebben hun MBTI gebaseerd op een aantal geschriften van Carl Jung. Die werkte in de tijd dat er nog niet voldoende wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksmethodes bestonden in de psychologie, en de discipline nog niet helemaal het stadium van de filosofie ontgroeid was. Het resultaat is een model dat later vaak gedeeltelijk of volledig ontkracht is door empirisch onderzoek.

De Big Five zijn helemaal anders ontstaan. De vijf factoren zijn niet afgeleid uit een theoretisch concept, maar zijn ‘ontdekt’ in een empirisch onderzoek van allerlei woorden die we gebruiken om iemands persoonlijkheidskenmerken aan te duiden. Proefpersonen moesten iemand die ze kennen, beoordelen op die woorden. Daarna werd gezocht welke woorden gewoonlijk samenhingen in patronen, bijvoorbeeld doordat ze bijna altijd samen voorkwamen bij de beschrijving van een persoon – of net nooit samen voorkwamen en dus elkaar tegengestelde zijn.

Dat gebeurde via factoranalyse, een statistische techniek om een groot aantal variabelen te groeperen in een paar samenhangende clusters, die je meestal niet gewoon op het zicht kunt bepalen. Bij de Big Five ging het dus om een paar honderd tot een paar duizend woorden, die bijna altijd in vijf samenhangende clusters bleken samen te hangen.

Empirisch onderzoek rond de Big Five is vaak herhaald, in andere contexten, in andere talen en regio’s in de wereld, en bijna altijd kwamen dezelfde vijf factoren bovendrijven. Hier en daar blijken er taalkundige verschillen te zijn (zo bleek in het Nederlands de vijfde factor, Openness to Experience, minder sterk met intellect en sterker met onconventioneel denken samen te hangen dan in het Engels). Maar dat zijn gewoonlijk slechts kleine verschillen: het is sowieso ongelofelijk dat in een wereld met meer dan 6000 talen bijna altijd dezelfde vijf samenhangende clusters bovendrijven om persoonlijkheidskenmerken te beschrijven. Die vijf clusters duiden duidelijk iets universeels aan.

 

De Big Six

De Big Five zijn evenwel nog niet perfect. Onderzoek is nog volop bezig, en het model wordt nog steeds verbeterd. Zo zou uit recent onderzoek blijken dat er nog een zesde factor van belang is: honesty-humility (eerlijkheid/bescheidenheid). Dat wordt wel eens het HEXACO-model genoemd.

(Mijn score op honesty-humility zou trouwens iets van een 3.95 zijn op een schaal van 1 tot 5, wat ruim boven het gemiddelde ligt. Slechts 1 op de 10 mensen is nog eerlijker en bescheidener dan ikzelf. Speekmedaille! 😉 )

 

En toch…

En toch zit me iets dwars bij de Big Five. Iets waar ik me ronduit slecht bij voel. Daarover lees je meer in mijn volgende blogpost.

 

Waarom de MBTI-test nonsens is. Helaas.

Ik heb onlangs nog eens een persoonlijkheidstest op internet ingevuld. En nu ben ik zo ingenomen met mezelf, dat ik jullie het resultaat niet wil onthouden:

Screenshot INFP-persoonlijkheidstye 'mediator'

Volgens deze test ben ik een ‘mediator’, een idealist die zelfs in de ergste mensen en gebeurtenissen iets goeds probeert te zien. Steeds op zoek naar harmonie en manieren om de wereld een beetje beter te maken. O, en een heel goeie diplomaat in een-op-een-relaties, dat ook.

Geef toe, dat klinkt goed, he? Zou je zelf niet beginnen zweven als je leest dat vooral gemotiveerd wordt door schoonheid, moraliteit en deugd?

Voor de kenners: de test is een van die duizenden testen die gebaseerd zijn op de theorieën van moeder en dochter Briggs en Myers. Ook wel gekend als de Myers-Briggs Type Indicator, of MBTI. En in MBTI-taal blijk ik, althans volgens deze test, een INFP.

 

De zestien MBTI-types

Voor wie de MBTI niet kent, een zeer korte samenvatting van de theorie. Je kunt de persoonlijkheid van mensen grofweg opdelen in vier grote dimensies:

1. Waarop focus je je om energie op te laden?
E of I : Extravert (in interactie met de wereld om je heen) of Introvert (in je innerlijke belevingswereld)

2. Hoe verwerk je liefst informatie?
S of N : Sensing (op basis van waarnemingen) of iNtuition (op basis van abstracte verbanden of ideeën)

3. Hoe neem je liefst beslissingen?
T of F : Thinking (op basis van objectieve feiten en logica) of Feeling (op basis van subjectief aanvoelen en empathie)

4. Hoe gedraag je je liefst om je werk en je leven te plannen?
J of P : Judging (planmatig en snel tot een oordeel komend) of Perceiving (flexibel en verschillende mogelijkheden open latend).

Combineer die 4 dimensies met elk twee polen, en je krijgt in totaal 16 mogelijke persoonlijkheidstypes. Iedereen valt volgens de test in één van die zestien types, die voor het gemak worden aangeduid met de vier letters die hierboven in het vet stonden. Bijvoorbeeld ENTP, of ISFJ.

Of, zoals ik in mijn laatste test dus, een INFP.

 

Ik pas niet in één hokje

Nu neem ik die tests niet echt serieus.

Ik krijg immers zelden precies dezelfde uitslag. Ik ben al Judging geweest, en ik ben al Perceiving genoemd. Ik ben zowel Sensing als iNtuitive gelabeld. En sinds enige tijd noemen de MBTI-testen me zelfs veeleer Feeling dan Thinking – en dat terwijl ik er steeds prat op ging bijzonder laagsensitief te zijn!

Enkel de I van Introvert is een constante bij mij. Geen enkele MBTI-test heeft het ooit aangedurfd mij een extravert te noemen. En terecht!

Soit, het blijft een feit: ik pas hoegenaamd niet in één hokje.

 

Geen wetenschappelijke grond

Dat ikzelf niet in de MBTI-hokjes pas, ach, dat is maar een klein ongemakje. De MBTI-testen hebben een groter probleem: ze zijn niet wetenschappelijk bewezen. Integendeel zelfs: onafhankelijke onderzoeken tonen aan de MBTI de bal misslaat. MBTI is geen geldig instrument om iemands persoonlijkheid te meten.

Ik ga alle argumenten daarvoor hier niet herhalen, anderen hebben dat al veel beter uiteengezet dan ikzelf kan. Toegegeven, vele anti-MBTI-standpunten op het internet verliezen zich in valse en verwerpelijke drogredeneringen, zoals het autoriteitsargument (‘Briggs en Myers hebben geen formele opleiding in psychologie gehad!’) of stropopredeneringen (‘àlle MBTI-adepten gaan ervan uit dat iedereen zwart óf wit is, en dat er geen grijswaarden tussen bestaan!’). Maar er zijn ook kritieken die eerlijk blijven en zich beperken tot terechte inhoudelijke kritiek, en die ook argumenten à décharge durven aanhalen. Zoals dit artikel van Adam Grant in Psychology Today.

De conclusie van Grant is dat we MBTI moeten loslaten. Op zijn best kan ze de start zijn van een tocht naar meer zelfinzicht. En hier en daar heeft de MBTI het wel eens gedeeltelijk bij het rechte eind, meer door toeval dan door een correct uitgangspunt (een beetje zoals acupunctuur, of osteopathie). Maar we kunnen er niks mee in de praktijk.

 

Moderne astrologie

Grant is vriendelijk, hij stelt de MBTI uitdrukkelijk niet gelijk aan sterrenwichelarij: “When it comes to accuracy, if you put a horoscope on one end and a heart monitor on the other, the MBTI falls about halfway in between.”

Andere critici zijn vaak harder. De 16 persoonlijkheidstypes van de MBTI worden dan de moderne vorm van de twaalf dierentekens in de astrologie genoemd. Een paar groepjes persoonlijkheidskenmerken die zonder degelijke grond bijeen gegooid zijn, en waar dan iedere mens in hoort te passen en zichzelf in hoort te herkennen. Complete nonsens, natuurlijk. Goed voor wat licht entertainment, maar niet iets waar je écht wat mee bent in het leven.

Is astrologie een compleet achterhaald bijgeloof, dan is de MBTI zeker niet meer dan een pseudo-wetenschap. Hoe jammer ik het ook vind, ik ben niet écht de zielsverwant van Tolkien, Björk en Johnny Depp.

Screenshot: Mediators you may know: William shakespeare, J.R.R. Tolkien, Björk, Johnny Depp

(Voor de nieuwsgierigen: mijn sterrenbeeld is Boogschutter, en ik herken me amper in de beschrijvingen van typische boogschutter-kenmerken. Mijn ascendant is Weegschaal, en ook daar klopt de helft niet van. Over mijn maanteken, medium coelie en andere huizen begin ik niet eens.)

 

Beter

De believers in MBTI, die er vaak een deel van hun eigenwaarde uit halen, zal ik met deze tekst niet van mening doen veranderen. Toch wil ik in mijn volgende blogpost een poging doen, met een beter alternatief.

 

Drie tips voor minister Maggie De Block

Hoe lang mag een burn-out duren?

Zowat een maand geleden kondigde minister van Volksgezondheid Maggie De Block richtlijnen aan over hoe lang een ziekteverlof kan duren bij acht veelvoorkomende aandoeningen. Om artsen die niet goed weten hoeveel tijd ze een patiënt precies moeten geven, een houvast te bieden, aldus de minister zelf.

 Werkgeversorganisatie VOKA juichte dit meteen toe, omdat ze hierin een oplossing zagen voor vermeend misbruik van ziekteverlof. Wat meteen protest uitlokte van artsen – terecht volgens mij, want uit de uitspraak van VOKA blijkt een veel te groot wantrouwen van werkgevers in hun medewerkers en in de medische wereld. Of op zijn minst een veel te groot onbegrip.

 Burn-out is een van die aandoeningen waarover er een richtlijn zal komen. Omdat ik daar zelf enige ervaring mee heb, geef ik de minister graag drie tips mee voor haar richtlijn. Drie tips waar ook alle werkgevers – niet alleen die van VOKA – wat aan kunnen hebben.

  1. Geef géén gemiddelde hersteltijd voor een burn-out
  2. Geloof nooit de einddatum op een ziektebriefje
  3. Tel een half jaar werk méé als hersteltijd

 

1. Geef geen gemiddelde hersteltijd voor een burn-out.

De rivier is gemiddeld één meter diep, sprak de statisticus vol vertrouwen, en hij stapte het water in. Hij verdronk.

Een flauwe boutade misschien, want een echter statisticus weet dat een gemiddelde waarde totaal onbetrouwbaar is om naar te handelen. Het zijn alle niet-statistici – pakweg 99,9 % van de bevolking – die zich laten misleiden door dat éne getal dat het gemiddelde is. Het gemiddelde van 9, 10 en 11 is tien. Het gemiddelde van 0, 10 en 20 is ook tien. Het gemiddelde zegt dus niets over de werkelijke cijfers die erachter zitten.

Als je zou zeggen: een burn-out vergt gemiddeld een jaar hersteltijd, dan verwachten behoorlijk veel mensen dat je na precies een jaar terug aan de slag gaat. Moet je toch langer herstellen, dan komt het wantrouwen: je hoort bij de slappelingen die beneden de standaard vallen. Misschien zelfs bij de profiteurs die hun afwezigheid nodeloos lang rekken. En dat helpt het herstel zeker niet vooruit. Niemand is ooit sneller genezen omdat anderen hem een slappeling of een profiteur noemen.

Het omgekeerde kan ook: dat je al na een maand of drie-vier terug aan de slag kunt. En dat niemand op het werk daar rekening mee heeft gehouden, waardoor je bureau, je computer en je werk door een vervanger zijn ingenomen. En jij dus terugkomt om met je vingers te zitten draaien in de vergaderzaal. Leuke terugkomst!

Daarom deze eerste raad: geef geen gemiddelde. En zelfs geen mediaan. Geef liever een idee over de spreiding. Geef een vork.

Zeg bijvoorbeeld: ’90 procent van de mensen heeft tussen 6 en 18 maanden nodig om voldoende te herstellen van een burn-out’ (noot: dit zijn hypothetische cijfers).

Iedere persoon is anders, en dus loopt ieder herstel anders. Omgevingsfactoren spelen een grote rol: kun je rekenen op steun in je omgeving, of sta je er grotendeels alleen voor? Kun je het je permitteren om alles in je leven op pauze te zetten, of wordt er verwacht dat je blijft koken, wassen en plassen – voor kinderen, zorgbehoevende ouders of weinig begripvolle partners?

Meer nog spelen de oorzaken van de burn-out een rol. Ligt een conflict mee aan de basis van je burn-out? Verwacht dan niet dat je snel terug kan keren naar de bron van dat conflict op je werk; je lichaam en je geest zullen je op alle mogelijke manieren verhinderen dat je je opnieuw in dat conflict stort. Gaat het eerder om een burn-out veroorzaakt door je eigen persoonlijkheidskenmerken? Dan hangt het ervan af hoe snel je je eigen perfectionisme weet aan te pakken, of je zelfverwaarlozing, of je subassertiviteit, of welk ander persoonlijkheidskenmerk ook dat jou al je energie heeft gekost. Dat kan lang duren maar het kan evengoed (relatief) snel gaan, afhankelijk van welke professionele hulp je krijgt, hoe diep bepaalde gedragspatronen zijn ingesleten, enzovoort.

 

2. Geloof nooit de einddatum op een ziektebriefje.

Dokters schrijven niet snel een echt lange ziekteperiode voor bij een burn-out. Zelfs wanneer ze vermoeden dat je maanden – of misschien wel een jaar – uit zult zijn, krijg je bij de start meestal maar een of twee weken ziekteverlof voorgeschreven. Heel misschien een maand. Artsen die je meteen twee maanden voorschrijven, zijn zeldzaam. Artsen die je meteen een half jaar of méér voorschrijven, zijn bij mijn weten onbestaand. Burn-outers schakelen gewoonlijk de ene verlening na de andere aan elkaar.

Ik heb me lang afgevraagd waarom. Want door een langdurig ziekteverlof steeds maar in kleine schijven toe te kennen, maken ze het herstel toch moeilijker? Stel je voor: je krijgt een maand ziekteverlof voorgeschreven, de eerste twee weken probeer je tot rust te komen, en tegen dat dat eindelijk begint te lukken komen de zenuwen al terug op omdat je over twee weken al terug op het werk verwacht wordt. Dus gaat het weer twee weken slechter, tot de huisarts je ziekte nog eens met een maand verlengt. En de cyclus begint opnieuw. En opnieuw. En opnieuw.

Waarom schrijven dokters niet meteen een langer ziekteverlof van vele maanden voor? Dat zou het herstel bij velen toch bespoedigen?

Misschien speelt mee wat ik hierboven zei: dat het herstel bij iedere persoon anders verloopt. Dus kan geen enkele huisarts op voorhand echt inschatten of hij te ruim of te smal rekent.

Maar misschien speelt ook mee dat dokters hun patiënten niet los willen laten. Een dokter wil een zieke patiënt blijven opvolgen, om te monitoren hoe het herstel verloopt en waar nodig bij te sturen. Een hartpatiënt krijgt ook niet meteen een voorraad medicijnen voor een jaar mee; nee, een arts schrijft een dosis voor om pakweg een maand rond te komen, en wil vervolgens de patiënt opnieuw onderzoeken en de medicatie aanpassen. Bij een burn-out is het belangrijkste medicijn niet in capsulevorm te verkrijgen: het belangrijkste medicijn is daar rust. En dus is het misschien maar logisch dat een dokter het effect daarvan frequent wil blijven opvolgen. En jou dus rust voorschrijft in veel kleinere schijven dan je uiteindelijk nodig zult hebben.

Is dat lastig voor de werkgever en de collega’s? Ja, dat is lastig. Zij weten nooit zeker of je wel of niet terugkomt op de datum die op het meest recente ziektebriefje stond. Maar hoe frustrerend dat ook kan zijn, dat is uiteindelijk van ondergeschikt belang als het om iemands gezondheid gaat. Een dokter is er niet om werkgevers te dienen. Een dokter is er louter en alleen om de patiënt te helpen, en niks anders. Tot spijt van wie ’t benijdt.

Ik raad iedereen dan ook aan om de einddatum op een doktersbriefje niet te geloven. Ik zie het telkens weer gebeuren: in de planning van het werk gaan chefs en collega’s ervan uit dat je er weer ten volle zal staan op het moment dat je ziektebriefje afloopt. En als je dan een nieuw ziektebriefje met (weer) een verlenging opstuurt, dan moeten ze in zeven haasten de planning omgooien, moeten collega’s last minute het werk herverdelen, moeten sommigen misschien zelfs uit vakantie teruggeroepen worden. Met het gevaar dat iedereen pissig wordt op die ene zieke collega die de schuld van al die miserie lijkt te zijn.

Werkgevers, een goede raad: zelfs als je nog maar een vaag vermoeden hebt dat er een mentale ziekte meespeelt, keer dan je verwachtingen helemaal om. Ga ervan uit dat de ziekteperiode wél verlengd zal worden, dat de zieke medewerker nog niét zal terugkeren. Ga uit van het worstcasescenario, en stel je planning daarop af. Staat de zieke medewerker toch op een keer – na afloop van het zoveelste ziektebriefje – terug op de werkvloer, dan is dat gewoon een mooie meevaller. Beter één meevaller in de hand…

 

3. Tel een half jaar werk méé als hersteltijd.

Een topvoetballer die een been breekt, moet eerst een poosje in het gips. Dan is er geen sprake van rondrennen, laat staan tegen een bal trappen. Na een tijdje kan ie terug mee beginnen trainen, maar niet te hard. Dat moet hij langzaam opbouwen. Een paar oefeningen meedoen, maar nog niet allemaal. Of niet allemaal even snel. Het duurt nog even voor hij weer oefenmatchen aankan. En pas helemaal op het einde kan de voetballer weer schitteren in een topmatch.

Zo gaat het ook bij een burn-out. Ik ken geen enkele lotgenoot die na zijn afwezigheid meteen weer op topniveau in zijn job kon meedraaien. Net zoals de topvoetballer, die bij zijn eerste terugkeer na een gebroken been nog geen topwedstrijd aankan.

Meer nog: een goed herstel van een burn-out is slechts mogelijk door langzaam weer op te bouwen op het werk. Net zoals de topvoetballer zijn topniveau slechts kan halen door langzaam zijn deelname aan trainingen en wedstrijden op te schroeven. Dat lukt nooit door thuis in de zetel te zitten wachten tot zijn conditie op magische wijze weer piekt.

Vele burn-outers gaan in behandeling bij een psycholoog of een therapeut, of op zijn minst bij een coach. Die zoekt samen met hen naar de oorzaak, of oorzaken, van al dat energieverlies. En zoekt dan samen met hen naar mogelijke oplossingen. Zoals andere gedragspatronen aanleren. Of andere gedachtenpatronen aannemen. Of andere manieren uittesten om met energievretende mensen om te gaan. Wat het ook is, het zijn zaken die je al doende moet uitproberen. En dat kost meer tijd dan je denkt: ingesleten patronen zijn moeilijk te veranderen.

Uiteraard begin je klein. Je test het uit in een veilige omgeving, zoals je gezin, of je vertrouwde bankje in het park. En dan in iets moeilijker situaties, zoals de sportclub, of een familiefeest, of de jaarmarkt op het dorpsplein. Tot je genoeg getest hebt en voldoende vertrouwen hebt om de stap naar het werk te zetten.

Maar ook op het werk moet je je automatische gedrags- of gedachtenpatronen leren veranderen. En ook dat kost energie en tijd. Dat zit meestal niet van de eerste keer goed. Maar het is slechts door het in de praktijk uit te proberen – met vallen en opstaan – dat het uiteindelijk zal lukken.

Ik heb het zelf meegemaakt. Mijn eerste weken terug op het werk waren voor mij echte test-weken. Een test of ik de nieuwe gedragspatronen die ik bij mijn psycholoog had geleerd, ook in een stresserende werksituatie kon toepassen. Of ik überhaupt al in staat was een hele dag te focussen en energie te geven aan mijn job. (Spoiler: het lukte.)

Ik keerde terug naar een team waarin iedere dag onverwachte deadlines opdoken, liefst tegen een half uur geleden. Dat kon ik dus nog niet aan. Mijn baas hield daar gelukkig rekening mee. Ik moest de eerste weken nog niet meedraaien in de hectiek van redactiedeadlines. Ik kreeg een paar taken die pas enkele maanden later klaar moesten zijn, zoals een jaarverslag samenstellen en een aanbesteding voorbereiden. Taken waarbij ik weer in het werkritme kon komen, maar waarbij het ook geen ramp was als ik ze niet meteen gedaan kreeg. Pas na enkele weken begon ik af en toe een tekstje met een korte deadline te schrijven. Na enkele maanden kon ik er weer volledig in meedraaien.

En terwijl ik langzaam terug aan deadlinewerk wende, leerde ik ook ‘nee’ zeggen op het werk (om mijn subassertiviteit aan te pakken), leerde ik anderen te geloven wanneer ze mijn werk goed vonden (om mijn perfectionisme af te bouwen), leerde ik een planning te volgen die slechts op één taak tegelijk focust (om mijn procrastinatie te overwinnen) en leerde ik voldoende rustmomenten in te bouwen (om mijn introversie tegemoet te komen).

Pas na een maand of zes was ik er gerust in: ik had de juiste strategieën gevonden om mijn werk weer op topniveau uit te voeren, zónder opnieuw in een burn-out te vallen. Pas toen durfde ik mezelf voldoende genezen te verklaren. Pas toen zette ik mijn deeltijds ziekteverlof stop.

Wie denkt dat je burn-out volledig kan genezen vóór je terug aan het werk mag, dwaalt. Een tijdje ‘inlopen’ op het werk is vaak essentieel om te herstellen. Daarom, beste minister, daarom vraag ik: ze in je aanbevelingen niet enkel hoe lang iemand thuis moet zitten met een burn-out. Geef ook een indicatie hoe lang iemand met een burn-out moet ‘opbouwen’ eens hij terug aan het werk is. Een half jaar lijkt me, op basis van mijn eigen ervaring, een minimum.

 

 

De nieuwe definitie van burn-out

Onderzoekers van de KULeuven kondigden enkele maanden geleden aan dat ze aan een nieuwe diagnosemethode en een nieuwe definitie van burn-out werken.

Daar ben ik blij om. Want ik vind, net als hen, dat de oude definities niet meer accuraat zijn. Met wat wringen kon ik mezelf er wel in passen, in die oude definities, maar het voelde toch niet comfortabel aan.

Nu ben ik benieuwd naar de nieuwe definitie van doctoraatstudent Steffie Desart en de proffen Wilmar Schaufeli en Hans De Witte. Klopt hun beschrijving met wat ik heb meegemaakt? Herken ik me er nu beter in? Of pas ik plots niet meer in het plaatje?

 

5 kernsymptomen van burn-out

De onderzoekers beginnen met de symptomen van burn-out uit te breiden. De voorbije decennia werd burn-out meestal samengevat in drie symptomen, maar Steffie Desart en haar collega’s spreken nu over vijf kernsymptomen en enkele bijkomstige symptomen.

De 5 kernsymptomen zijn:

  • Uitputting (zowel fysiek als psychologisch)
  • Cognitief controleverlies (geheugenproblemen en concentratieproblemen)
  • Emotioneel controleverlies (heftige emotionele reacties)
  • Depressieve klachten (dit is wellicht de reden waarom burn-out en depressie vaak verward worden)
  • Mentale distantie (het mentaal afstand nemen van het werk)

 

Herken ik de symptomen?

Uitputting? Jazeker. Ik heb dagen in de zetel gelegen zonder nog een poot te kunnen opheffen. Ik heb maandenlang moeten doseren, iedere fysieke inspanning afwisselen met platte rust om weer te recupereren. Psychisch kon ik niks meer aan. Geen gesprek met mensen, geen gedachten die me tegenstonden, zelfs geen geluid op straat – wat behoorlijk moeilijk is als je middenin een stad woont.

Cognitief controleverlies? Dat ook. Dat voelde ik al maanden vóór ik thuis zat. Ik slaagde er niet meer in mijn deadlines te halen, deed veel te lang over mijn werk omdat mijn hoofd zo vaak blank stond. En ik moet wel geheugenverlies gehad hebben, want van sommige gebeurtenissen en anekdotes die mensen me vertellen, herinner ik me niks meer.

Emotioneel controleverlies? Het zal nog niet zijn! Ik ben ingestort met een grote knal. Een woede-uitbarsting om een beuzelarij, waarbij ik een collega de huid vol schold en een koffietas stuk heb gesmeten tussen het andere servies. Nadien kreeg ik nog meer woede-uitbarstingen, zomaar op straat. En hoewel ik het me niet goed meer herinner, denk ik dat ik voordien ook al te vaak onnodig kwaad ben geweest. Zelfs tegen mijn vrouw, en tegen mijn zoontje…

Nog erger waren de vele huilbuien en paniekaanvallen die me maandenlang parten hebben gespeeld. Hyperventileren wanneer je het station nog maar ziet van waaruit de trein naar je werk vertrekt, dat is niet normaal, toch?

Depressieve klachten? Ook dat, ja. Geen zware depressie, en gelukkig helemaal geen doodsverlangen of zelfmoordneigingen. Maar ik weet wel dat ik niet meer in staat was me gelukkig te voelen. De huisarts zei me dat ook, dat ik een aantal symptomen van depressie vertoonde. Maar alles wees erop dat het burn-outprobleem groter was dan het depressieprobleem.

Mentale distantie? Hm, dat is een moeilijkere. Ik heb niet de indruk dat ik het werk mentaal losliet – of toch niet meer dan wat aan concentratieproblemen kan toegeschreven worden.

Ik heb collega’s gekend die bijzonder cynisch werden over hun werk, over andere collega’s, over de organisatie. Je kent ze vast ook wel: mensen die achter elk akkefietje een gemeen complot van de grote boze baas vermoeden. Die ervan overtuigd zijn dat die ene collega enkel maar hoest om hen te irriteren. Die hun hele bedrijf een klote-organisatie vinden die alleen maar stront produceert.

Ik heb dat soort afmattende gevoelens niet gekend. Toen ik de bodem had bereikt, voelde ik me enorm schuldig. Schuldig tegenover mijn collega’s, die ik nu met al mijn achterstallig werk opzadelde. En ook waardeloos. Onwaardig om in die organisatie te werken. Ik was ervan overtuigd dat ik de boel belazerd had, dat ik jarenlang loon had gekregen waar ik gezien mijn onkunde helemaal geen recht op had. Ik wou dat ik het beter kon doen, dat ik de job waard zou zijn, maar het lukte gewoon niet.

Is dat ook mentale distantie? Misschien.

 

De nieuwe definitie van burn-out

Op basis van hun onderzoek brengt de Leuvense onderzoeksgroep een nieuwe definitie van burn-out:

Vanwege een overbelasting op het werk, vaak gepaard gaande met een persoonlijke kwetsbaarheid en/of problemen in de privésfeer, kan er geen energie meer opgebracht worden om bepaalde cognitieve en emotionele processen te regelen.

Dit verlies van controle in samenwerking met de uitputting leidt tot een zelfbeschermingsreactie, waarbij er mentaal afstand genomen wordt van de uitputtingsbron (bij burn-out: het werk). Het gaat hier vooral om een negatieve attitude, bijv. in de vorm van cynisme. Al kan deze attitude zich ook uiten in het fysiek afstand nemen van het werk (bijv. door contact te ontwijken met collega’s).

Door het controleverlies geraakt men bovendien in een depressieve stemming. Deze stemming is dus het gevolg van een gevoelsmatige reactie en is niet gelijk aan een depressie in de zin van een op zichzelf staande psychische stoornis.

Spanningsklachten (‘stress’) worden gezien als onderliggende symptomen en kunnen worden gebruikt om een meer volledig beeld van burn-out te krijgen. Zij zijn vaak de eerste reden waarom men hulp zoekt en kunnen een voorbode zijn van burn-out in de vorm van overspanning.

De vijf kernsymptomen zitten allemaal in deze definitie. En het is ook goed dat er bijkomende symptomen in verwerkt zitten, zoals spanningsklachten. Voor mij zijn dat de signalen die je lichaam uitstuurt om je te waarschuwen dat er iets mis gaat. Alsof het lichaam je probeert te dwingen om rust te nemen of zaken in je levensritme te veranderen vóór je helemaal opgebrand bent.

De definitie spreekt heel duidelijk van een gebrek aan energie, uitputting en een verlies van controle. Herkenbaar, very much. En heel mooi vind ik dat de depressieve stemming uitdrukkelijk het gevolg van een gevoelsmatige reactie genoemd wordt, in tegenstelling tot de ‘reguliere’ depressies die op zichzelf staan en vaak een heel andere behandeling vragen.

 

Werk, privé én persoonlijkheid

Het enige wat me dwarszit, is dat de definitie burn-out aan werk blijft linken: “Vanwege een overbelasting op het werk”, “de uitputtingsbron (bij burn-out: het werk)”, “fysiek afstand nemen van het werk”.

Nochtans zegt de eerste zin van de definitie dat een persoonlijke kwetsbaarheid en/of problemen in de privé-sfeer vaak meespelen. In een interview in Trends benadrukt Steffie Desart zelfs dat werk, privé en persoonlijkheid alle drie een rol spelen in de oorzaak van burn-out: “Een burn-out ontstaat door een samenspel van drie factoren: het werk, de privé-situatie en de persoonlijkheid.”

 

Werk is méér dan werk!

Kijk, dàt rijmt volledig met mijn eigen verhaal. Ik begreep in het begin niet hoe ik in ’s hemelsnaam zo uitgeput kon raken van mijn werk, dat objectief beschouwd geen onmogelijke eisen aan mij stelde. Tot mijn psychotherapeut me deed inzien dat mijn werk maar één radartje was in het verhaal. Spanning en druk buiten het werk speelden evenzeer een rol. Maar vooral de manier waarop ik met mijn persoonlijkheidskenmerken omging, speelde een grote rol in mijn burn-out – hoe dat precies in zijn werk ging, lees je hier.

Toen ik aan onderzoeker Steffie Desart vroeg waarom ze in hun definitie dan toch vasthielden aan de hoofdrol voor het ‘werk’, antwoordde ze me dat ze werk breder willen zien dan betaalde arbeid: “[Het gaat] hier over elke betekenisvolle activiteit waarbij men iets investeert en er ook iets voor terugkrijgt – bijv. studeren of vrijwilligerswerk.”

 

Elke betekenisvolle activiteit waar je iets insteekt en iets uithaalt

Eerlijk waar, ik vind dat een prachtige omschrijving van alle situaties die tot een burn-out kunnen leiden. Ik zou het zelf niet beter kunnen. Je kunt misschien nog discussiëren over de term ‘betekenisvol’, omdat ze voor verschillende interpretaties vatbaar is. Wat de ene betekenisvol vindt, vindt een ander misschien volstrekt betekenisloos. Maar in de rest van de omschrijving kan ik me volledig vinden.

Naast de klassieke betaalde job zijn er inderdaad heel wat activiteiten waar je iets in investeert (tijd, kunde, energie…) en iets voor terugkrijgt of hoopt terug te krijgen (kennis, voldoening, liefde…). En al die activiteiten kunnen tot een overbelasting leiden, en een verlies van energie.

Ik denk aan studenten of scholieren die niet meer de energie vinden om hun studies verder te zetten. Vrijwilligers die zich niet meer naar de tientallen verenigingen kunnen slepen waar ze in het bestuur zetelen. Amateursporters die zich op een bepaald moment niet meer op het veld of in de piste durven begeven. Huisvrouwen die geen dweil of afwasborstel meer kunnen optillen. Ouders wie de zorg voor hun kinderen te veel wordt. Of kinderen die aan de zorg voor hulpbehoevende ouders onderdoor gaan. En wat met liefdesrelaties die kapotgaan omdat een van beide partners (of allebei) er veel energie in steekt maar er niet meer voor terugkrijgt wat ie nodig heeft?

 

Weg met werk!

Waarom dan vasthouden aan de term ‘werk’ om die brede waaier aan activiteiten te benoemen? Volgens mij is dat de laatste erfenis uit het verleden, die de onderzoekers nog moeten afwerpen. Niemand gebruikt de term ‘werk’ in die nieuwe betekenis, en het laat zich dan ook raden dat bijna alle lezers en toehoorders bij ‘werk’ aan een van de gekende betekenissen zullen denken.

Ik denk dat de Leuvense onderzoekers nog een kleine inspanning moeten doen om een minder dubbelzinnige term dan ‘werk’ te bedenken. Dan pas staat hun nieuwe definitie volledig op punt!

 

Meer info over het burn-outproject van de Leuvense onderzoekers vind je op https://burnoutassessmenttool.com/.

 

Vier schepenen, een OCMW-voorzitter en een burgemeester

Zes maanden. Amper zes maanden werk ik nu bij de Stad Gent, en ik heb al een mooie verzameling handen. Vier schepenen en één OCMW-voorzitter hebben me intussen een hand gegeven. De burgemeester heeft me tot nu toe enkel een knipoog geschonken, maar ik verwacht zijn hand binnenkort ook wel aan de collectie te kunnen toevoegen.

 Vier schepenen, een OCMW-voorzitter en een burgemeester. Dat is dus de helft van de politieke bazen. Na amper zes maanden. Dat toont voor mij aan hoe betrokken ze zijn bij de organisatie en de mensen die voor hen werken.

En het is niet zomaar snel-snel handjes van potentieel kiesvee schudden, he. Ik heb vragen over mezelf en over mijn werk beantwoord, zelfs complimentjes gekregen over specifieke taken die ik heb volbracht. Ze spreken me nu bij mijn voornaam aan. Ik ben er zeker van dat ze een paar duizend namen van medewerkers in hun hoofd zitten hebben.

Diepe kloof

Wat een verschil met mijn vorige werkgever. In de twaalf jaar dat ik bij de Vlaamse overheid heb gewerkt, heeft niet één minister dat gedaan. Ik heb nooit een minister de hand geschud, laat staan dat er een de moeite nam om mijn job of zelfs maar mijn naam te onthouden.

Volledig tegengesteld aan de lokale politici van Gent. Geen enkele minister op Vlaams niveau heeft ooit dezelfde belangstelling getoond voor de mensen die hun beleid in de praktijk moeten uitvoeren.

Integendeel, we kregen regeltjes opgelegd die de kloof zo diep mogelijk hielden. ‘Alle communicatie met de minister en het kabinet verloopt voortaan via de secretaris-generaal’, vaardigde een inmiddels weggepromoveerde minister-president ooit uit. Alles om maar geen contact te hebben met die lastige ambtenaren.

Automatische piloot

Of nee, ik zou liegen. Eén keer heb ik een hand van een inmiddels overspeelde minister-president gekregen. Maar dat was per abuis.

Ik was met een fotograaf op zijn kabinet, om de ondertekening van een sociaal akkoord op de gevoelige plaat vast te leggen. Na de officiële handtekening en het obligate sarcastische grapje naar de vakbonden toe, vertrok de minister-president naar een volgende afspraak, waarbij hij alle onderhandelaars rond de tafel een hand gaf. En op automatische piloot ook mij de hand schudde. Zonder te weten wie ik was, en zonder er ook naar te vragen.

(Mijn hand heeft nog een uur nagetinteld. Maar dat doet er verder niet toe.)

Genoeg ambtenaren voor de rest van mijn leven

Niet dat mijn collega’s bij de Vlaamse overheid het erg vonden, hoor, die totale afwezigheid van politici. Daar had – vóór mijn tijd – een intussen alweer lang vergeten minister-president voor gezorgd. De laatste die nog eens met zijn uitvoerend personeel op de werkvloer was komen kennismaken.

Net voor hij buiten gehoorafstand was, zei hij tegen zijn kabinetsmedewerker: ‘Nu heb ik genoeg ambtenaren gezien voor de rest van mijn leven.’ Met een dédain die alle collega’s toen een serieuze knauw in hun motivatie gaf.

Wie werkt er nu graag voor en baas die jou minacht?

De briesende bestuurder

Nuja, ik ben niet naïef. Een grote betrokkenheid van politici bij de organisatie kan ook contraproductief worden.

Ik heb ze al gehoord intussen, de waarschuwing voor schepenen die zich al te veel zouden bemoeien met de dagelijkse werking. Die er niet voor zouden terugdeinzen je kantoor binnen te lopen en je omver te schreeuwen tot hun wil wet is.

Zelf nog niet meegemaakt. Maar het lijkt me evident dat dit soms gebeurt. Dat soort bazengedrag vind je overal, dus ook bij een politiek bestuur.

Het kan hen wèl schelen

Ik kan me voorstellen dat je op zo’n moment, met een briesende schepen tegenover je, vurig wenst dat de bestuurders niet van jouw bestaan zouden afweten. En dat jouw werk hen totaal koud zou laten.

Maar eenmaal je de storm getrotseerd hebt, kun je je er ook mee troosten dat boosheid uiteindelijk ook maar aantoont hoe betrokken ze zich voelen. Het maakt de politieke bazen tenminste wèl uit wat je doet.

En dat is, alles welbeschouwd, nog altijd beter dan een bestuur dat helemaal niks om je geeft en je werk maar nutteloos vindt. En dat je enkel als een cijfertje ziet dat dringend moet gekaasschaafd worden.

Burn-out comedy

Arnout Van dan Bossche is een voormalig ingenieur en consultant die is overgelopen naar The Bright Side. Als stand-up comedian toert hij momenteel door Vlaanderen en Nederland met zijn jongste voorstelling ‘Burn-out voor beginners’.

Ter voorbereiding hield hij vorig jaar een interview met mij (*) over mijn burn-out. Stiekem heeft hij het ook gefilmd, verknipt en op YouTube gegooid.

Zit je klaar? Komt ie!

 

Bekijk ook Arnout van den Bossche over zijn show op Kanaal Z.

 

(*) en ook met een boel andere deskundigen, maar dit is mijn blog en hier wil ik centraal staan :-p

 

Gebrandmerkt

Cover van het boek Gebrandmerkt

Dat het wat begint te lukken, dat schrijven. Voor het eerst heeft een jury mijn inzending voor een schrijfwedstrijd goed genoeg bevonden om te publiceren. Samen met 24 andere verhalen in de verhalenbundel Gebrandmerkt | Grenzen, uitgegeven door Godijn Publishing. En omdat mijn verhaal als zesde in de bundel staat, maak ik mezelf graag wijs dat het als zesde beste uit de rangschikking kwam – ook al hebben de organisatoren enkel de top 3 bekend gemaakt.

Trude is een historisch kortverhaal, dat zich afspeelt in de middeleeuwen. Niet makkelijk, historische fictie schrijven. Je wilt natuurlijk een goeie fond leggen: de setting moet kloppen. Je  begint dus met research naar de historische feiten en gewoonten. Voor dit verhaal: de dagelijkse gewoonten bij de grote groep kampvolgers van de kruistochtlegers. En je leert boeiende dingen bij over wapenschilden en kledij, over bevoorrading, hygiëne en, euh, lichamelijk vertier.

Maar dan moet je door die historische kennis heen nog een boeiend verhaal weven, met (fictieve) personages van vlees en bloed. En het moet nog herkenbaar blijven voor lezers van deze tijd ook. Hoeveel uitleg moet je geven om de historische setting aanschouwelijk te maken? Hoeveel uitleg kan je geven voor het verhaal te traag en te saai wordt? Een moeilijke evenwichtsoefening.

Oordeel zelf maar in deze eerste scene:

 

Trude

De ridder hield halt bij een voorraadtent. Het wapenkleed boven zijn halsberg was op verscheidene plaatsen gerafeld en gescheurd, maar de rode kleur straalde nog steeds helder, en de blinkende gouddraad gaf hem een hemelse gloed. Met een sierlijke beweging steeg hij af van zijn donkerbruine hengst en langzaam schoof hij de lange hoekige helm van zijn hoofd. Vurig rode krullen veerden neer op zijn schouders.

Draai je om, zodat ik je aangezicht kan aanschouwen. Achter een karrenwiel stond Trude te hunkeren naar een glimp van de knappe ridder. Tot ze gewekt werd door een schel gebod. “Trude, wat sta je daar te dromen! Kom onmiddellijk hier, of ik verkoop je aan de Saracenen!” Heilewifs stem kon zelfs een rots tot gehoorzaamheid dwingen. Met tegenzin wendde Trude zich af. Ze zag nog net hoe de ridder de tent binnenging. Teleurgesteld trok ze haar kap wat dieper over haar hoofd.

Heilewifs gezicht was paarsrood, zoals altijd wanneer ze bevelen uitdeelde. “Neem die stapel vodden daar en ga ze schrobben in de put. Ik volg straks met de mantels en gambesons, wanneer Ymma terug is van de tent.”

Met een nauwelijks hoorbare zucht tilde Trude de last op en daalde af naar de modderpoel die de put genoemd werd. Ze begon aan de zware, eentonige taak van dompelen, wringen en kloppen. Soms mocht ze beenkousen of zelfs tunieken wassen, maar meestal kreeg ze de braies voor haar rekening – de stinkende, kleverige onderbroeken van de soldaten. Ze haatte die taak. In het vuile water van de put leken de onderbroeken nooit echt schoon te worden. Als ze te lang met haar armen in het water zat, voelde ze al die kleverige drek onder haar huid kruipen en zich over haar hele lichaam verspreiden. Ze huiverde en smeet de eerste onderbroeken op een paar rotsen naast de put. Woest sloeg ze met de wasplank op de grauwe stukken stof, in de ijdele hoop dat de vlekken er snel uit zouden verdwijnen.

Na een half uurtje kwam Heilewif aangelopen met Ymma in haar voetsporen. Ymma’s kapje hing scheef, waardoor haar donkerblonde haren voor haar ogen vielen. Terwijl ze de lokken uit haar gezicht wreef, wierp ze Trude een smalende blik toe. Trude keek gemelijk terug en trok haar eigen kap nog dieper over haar hoofd.

Even later galoppeerde de ridder voorbij. Trude staarde hem na, tot Heilewif haar met hard gekijf tot de orde riep. Ymma grijnsde nog harder.

 

Verder lezen? Je kunt Gebrandmerkt hier bestellen 🙂