Hoe ik op intensieve belandde

AZ Jan Palfijn— Dit verhaal dateert van ver vóór corona. —

 

Ik zit te wachten op een blauw plastic stoeltje en kijk door het raam naar een grijze ziekenhuisparking. Ik heb vreselijke dorst, drink vier of vijf bekers tapwater na elkaar. Ik sta recht, want zitten beneemt me de adem. Ik ga terug zitten, want staan maakt me duizelig.

De bloeddrukmeter pakt niet. Ze proberen het met een tweede, een derde toestel, tot ze toch wat bruikbare cijfers hebben. De specialist kijkt fronsend naar het scherm met de echobeelden, en zegt niet veel. Dat hij nog geen uitspraak kan doen. Dat hij me even in observatie wil houden.

Even later lig ik aan een infuus, een zuurstofbril en een permanente monitor in de CCU.

 

Drie uur eerder

Ik sta op met een nieuw symptoom. Mijn enkels en mijn voeten, gisterenavond nog normale lichaamsdelen, zijn in één nacht veranderd in dikke witte pensen. Het oordeel van dokter Google over die plotse zwelling is onverbiddelijk (en voor één keer correct): levensbedreigend. Paniek! Ik bel naar het werk voor spoedverlof en ga voor de derde keer deze week naar de huisarts. Die is kordaat: “Jij gaat nu meteen naar het ziekenhuis. Je rijdt niet zelf, je laat maar iemand anders rijden. Desnoods neem je een taxi.” Ze aarzelt niet langer: ze belt de specialist en eist dat ik me deze voormiddag nog tussen de andere patiënten mag wringen.

 

Een dag eerder

De uitslag van het bloedonderzoek is eindelijk binnen. Helaas, de minder ernstige oorzaken kunnen we allemaal uitsluiten. Het ligt niet aan mijn schildklier, of een tekort aan andere stoffen in mijn bloed. De huisarts verwijst me dan toch maar door naar de specialist. Niet tijdens de consult-uren in het ziekenhuis, want daar loopt de wachttijd al snel op tot zes à acht weken. In zijn privépraktijk kan het al over twee weken.

Nog twee weken afzien.

Later die dag schuifel ik door de buurtwinkel naast het werk. Een collega legt een hand op mijn schouder. “Het gaat niet, he.” Geen vraag, een vaststelling. “Vertel me nu maar wat er aan de hand is.” Het is de eerste collega aan wie ik het beken: ik vrees dat mijn lichaam kapot is. Ik vrees dat we niet lang meer collega’s zullen zijn.

 

Een week eerder

Ik zit in een huisje in de Ardennen, op schrijfweek met tien andere schrijvers. Normaal maak ik elke dag een aangename wandeling, langs velden met klaterende beekjes of door bossen vol paarse hyacinten. Niks van dat alles dit jaar. De eerste dag raak ik nog tot het tankstation aan het andere einde van het dorp. De laatste dag raak ik zelfs niet meer halfweg. Ik moet een kwartiertje uithijgen op de trappen van het dorpskerkje voor ik de terugtocht van twee straten aankan.

 

Twee weken eerder

Waar zat ik toch met mijn gedachten? Waarom ga ik met zo’n zwak gestel op de skilatten staan? Dit is zonder twijfel het slechtste idee van het jaar.

Maar ja, we hadden het aan de zoon beloofd, en hij keek er zo naar uit. Ik doe iedere dag mijn best om een paar uurtjes achter hem aan op de groene pistes te glijden. De negenjarige leidt, ik probeer te volgen. Na twee uur ben ik compleet uitgeput. En dan moet ik nog die trap naar onze kamer op…

 

Drie weken eerder

“Wanneer is die vermoeidheid begonnen?”
“Een paar maanden geleden al. Eerst merkte ik dat fietsen een hele opgave werd, mijn benen wilden niet mee en ik kreeg er pijn van in mijn middenrif. Toen merkte ik dat ik geen trap meer kon oplopen zonder naar adem te happen. Ik dacht gewoon dat mijn conditie verslechterd was door slaapgebrek of stress of zo. Maar nog wat later kreeg ik het ook als ik de trap naam beneden nam, of als ik gewoon een vlak stukje wandelde. Gewoon stappen, he, niet eens snel. Honderd meter en ik moet vertragen, of stoppen, of even neerzitten en hopen dat niemand me een vraag stelt.”
“En nu kun je dus ook niet meer slapen?”
“Nee, mijn adem piept en kraakt, en ik kan niet platliggen. Dan schok ik wakker met het gevoel dat ik stik, dat ik in de zee zink en alleen maar water kan happen!”
“Ja, ik hoorde wat toen ik naar je longen luisterde. Heb je het ook overdag moeilijk om te ademen?”
“Dat… lukt nog wel. Als ik geen grote inspanningen doe.”
“Oké, dit kan verschillende oorzaken hebben. Waarschijnlijk is je schildklier de boosdoener. Dat is eenvoudig te behandelen, maar we moeten het wel eerst onderzoeken. Ik stel voor dat we je bloed laten trekken. Doe het maar rechtstreeks bij het labo, dat is slechts enkele straten hiervandaan. Ik geef je een formulier mee.”
“M… mag ik wachten tot na het verlof? We vertrekken morgen al, alles is geboekt en betaald.”
“Tja. Ik zou het je niet aanraden, maar je voelt zelf wel het best wat je lichaam aankan.”
“Dan wacht ik wel. Ik loop er nu al maanden mee rond, één of twee weken extra zal er nog wel bij kunnen. Enneuh, dokter?”
“Ja?”
“Wat… wat als het niet aan mijn schildklier ligt?”
“Hm, het is onwaarschijnlijk, want je rookt niet, je behoort niet tot een risicogroep, je hebt geen gekend erfelijk risico, maar er ís een kleine kans dat dit alles komt door een probleem met je hart.”

 

Lees verder: En toen was ik hartpatiënt.

Een gedachte over “Hoe ik op intensieve belandde

  1. Pingback: En toen was ik hartpatiënt | Alweer een opgebrand geval

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s