Never mind the MBTI, here’s the BIG FIVE!

In mijn vorige post zei ik dat ik de MBTI niet echt geloof. We zouden beter stoppen onszelf in een van de MBTI-hokjes te wringen.

Maar is er dan een beter alternatief om je persoonlijkheidskenmerken te beschrijven?

Jawel! Dat alternatief heet de ‘Big Five’, dat veel meer wordt gebruikt in wetenschappelijke middens maar veel minder gekend is op internet.

 

De vijf dimensies van de Big Five

Kort samengevat: de Big Five ziet vijf dimensies (of ‘factoren’) die jouw persoonlijkheidskenmerken samenvatten. Elk van die vijf dimensies moet je zien als een schaal, waarop je van zeer hoog tot zeer laag kunt scoren:

1. Extraversion (extraversie). Een lage score op deze schaal kun je introversion (introversie) noemen.

2. Agreeableness (aangenaamheid, of gericht zijn op samenwerking en anderen helpen). Een lage score wordt dan beschreven met concepten als anger, suspicion of antagonism (wantrouwen, of meer gericht zijn op eigenbelang).

3. Conscientiousness (zorgvuldigheid). Een lage score wijst dan, weinig verrassend, op unconscientiousness (onzurgvuldigheid).

4. Neuroticism (neuroticisme of emotionele instabiliteit). Een lage score noemt men dan emotional stability (emotionele stabiliteit).

5. Openness to experience (openheid voor nieuwe ervaringen en/of meerdere invalshoeken). Een lage score betekent dan dat je veeleer closed-minded (gesloten en/of koppig) bent.

(Merk op dat je met de eerste letter van elke dimensie het woord OCEAN kunt vormen. Daarom worden de ‘Big Five’ ook wel eens ‘het OCEAN-model’ genoemd.)

 

Een redelijk stabiele, open introvert. Of toch iets wat daar op lijkt.

Hoe zit dat met mijn eigen score?

Ik heb verschillende Big Five-testen op internet vergeleken (zoals deze, deze en deze), één standaardtest op papier, en de resultaten van een selectietest van enkele jaren geleden.

Screenshot van resultaten op de Big Five-test

Op de factor Extraversion scoor ik, weinig verrassend, bijzonder laag. In zowat elke test blijk ik tussen de uitschieters te zitten die hier het laagst op scoren. Gewoonlijk een score van zo’n 1,5 à 2 op een schaal van 1 tot 5.

Op de factor Openness to experience scoor ik dan weer bijzonder hoog. In alle testen zit ik in de top 20% tot top 10% van alle mensen. In één testversie scoor ik zelfs het maximum van 5 op 5.

Ook op de factor Agreeableness zit ik, met een score van zo’n 3,5 à 4 op een schaal van 1 tot 5, gewoonlijk in de top 20% tot top 10% van alle mensen. Al gaven twee testen hier net de omgekeerde uitkomst: slechts 17 procent van de mensen zou nog lager scoren dan ik. (Ik ben er zeker van dat al die anderen op die test gelogen hebben! Mensen zijn duidelijk niet te vertrouwen! 😉 )

Bij de factor Conscientiousness lijk ik in de meeste testen wat rond het gemiddelde te zweven – ongeveer 3,50 op een schaal van 1 tot 5. Al was er ook hier één test waarin ik beduidend lager scoorde.

De factor Neuroticism tot slot toont een evenwichtiger beeld dan ik van mezelf had. Een paar testen situeren me daar rond het gemiddelde, bij andere scoor ik lager en hoor ik tot de laagste 20% à 25% van alle mensen (rond de 2,75 op een schaal van 1 tot 5).

Dat niet elke test het zelfde resultaat geeft, heeft wellicht te maken met verschillen in vraagstelling. En met het feit dat ik niet elke test op hetzelfde moment heb ingevuld. En wellicht ook met het feit dat niet elke test met dezelfde populatie vergelijkt.

Maar op de factor Agreeableness na geven de resultaten wel een duidelijke beeld van mijn persoonlijkheidskenmerken.

 

Waarom ik de Big Five wél vertrouw

In tegenstelling tot bij MBTI, word je bij de Big Five niet artificieel aan één uiteinde toegewezen. Je relatieve plaats op de schaal blijft belangrijk; je scoort bijvoorbeeld voor de extraversie-dimensie “3.55 op een schaal van 1 tot 5, wat slechts een klein beetje extraverter is dan het gemiddelde bij vergelijkbare personen”. Je krijgt dan niet nonchalant de letter E op je kop geplakt, alsof je in niks verschilt van iemand die de volle 5 op 5 scoort.

Een groot probleem van MBTI is dat het een theoretisch concept is, gebaseerd op weinig empirische gegevens en nadien ook niet gevalideerd door voldoende empirische gegevens. Myers en Briggs hebben hun MBTI gebaseerd op een aantal geschriften van Carl Jung. Die werkte in de tijd dat er nog niet voldoende wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksmethodes bestonden in de psychologie, en de discipline nog niet helemaal het stadium van de filosofie ontgroeid was. Het resultaat is een model dat later vaak gedeeltelijk of volledig ontkracht is door empirisch onderzoek.

De Big Five zijn helemaal anders ontstaan. De vijf factoren zijn niet afgeleid uit een theoretisch concept, maar zijn ‘ontdekt’ in een empirisch onderzoek van allerlei woorden die we gebruiken om iemands persoonlijkheidskenmerken aan te duiden. Proefpersonen moesten iemand die ze kennen, beoordelen op die woorden. Daarna werd gezocht welke woorden gewoonlijk samenhingen in patronen, bijvoorbeeld doordat ze bijna altijd samen voorkwamen bij de beschrijving van een persoon – of net nooit samen voorkwamen en dus elkaar tegengestelde zijn.

Dat gebeurde via factoranalyse, een statistische techniek om een groot aantal variabelen te groeperen in een paar samenhangende clusters, die je meestal niet gewoon op het zicht kunt bepalen. Bij de Big Five ging het dus om een paar honderd tot een paar duizend woorden, die bijna altijd in vijf samenhangende clusters bleken samen te hangen.

Empirisch onderzoek rond de Big Five is vaak herhaald, in andere contexten, in andere talen en regio’s in de wereld, en bijna altijd kwamen dezelfde vijf factoren bovendrijven. Hier en daar blijken er taalkundige verschillen te zijn (zo bleek in het Nederlands de vijfde factor, Openness to Experience, minder sterk met intellect en sterker met onconventioneel denken samen te hangen dan in het Engels). Maar dat zijn gewoonlijk slechts kleine verschillen: het is sowieso ongelofelijk dat in een wereld met meer dan 6000 talen bijna altijd dezelfde vijf samenhangende clusters bovendrijven om persoonlijkheidskenmerken te beschrijven. Die vijf clusters duiden duidelijk iets universeels aan.

 

De Big Six

De Big Five zijn evenwel nog niet perfect. Onderzoek is nog volop bezig, en het model wordt nog steeds verbeterd. Zo zou uit recent onderzoek blijken dat er nog een zesde factor van belang is: honesty-humility (eerlijkheid/bescheidenheid). Dat wordt wel eens het HEXACO-model genoemd.

(Mijn score op honesty-humility zou trouwens iets van een 3.95 zijn op een schaal van 1 tot 5, wat ruim boven het gemiddelde ligt. Slechts 1 op de 10 mensen is nog eerlijker en bescheidener dan ikzelf. Speekmedaille! 😉 )

 

En toch…

En toch zit me iets dwars bij de Big Five. Iets waar ik me ronduit slecht bij voel. Daarover lees je meer in mijn volgende blogpost.

 

4 gedachtes over “Never mind the MBTI, here’s the BIG FIVE!

  1. Pingback: Waarom de MBTI-test nonsens is. Helaas. | Alweer een opgebrand geval

  2. Mooie analyse. ’t Lijkt me wel sterk dat eerlijkheid en bescheidenheid elkaars tegengestelde zouden zijn…? Op de juiste wijze, met de nodige fluwelen handschoentjes, kun je op bescheiden wijze een eerlijke boodschap overdragen zonder te kwetsen bvb 😉

    • Je hebt volkomen gelijk hoor. Ik heb blijkbaar voor verwarring gezorgd. Eerlijkheid en bescheidenheid horen samen, op één uiteinde van de schaal. Op het andere uiteinde vind je kenmerken als vleierij tegenover anderen, belang hechten aan status of materieel gewin, en bereidheid om regels te overtreden in functie daarvan.

  3. Pingback: Waarom ik de Big Five stiekem tóch niet vertrouw | Alweer een opgebrand geval

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s