Mijn 22 maart

Op 22 maart was ik in Brussel. De aanslagen en de terreurdreiging waren even dichtbij, maar de dag bleek uiteindelijk vooral veel verveling te brengen. Dit is geen verhaal over helden, over hulpdiensten of over slachtoffers, maar over gewone mensen die een hele dag niet veel anders konden doen dan wachten.

Infoscherm met de tekst: 'terreurdreiging 4: lockdown. Officiële richtlijn: het gebouw niet verlaten. Meer info volgt.'Ik sta aan de schoolpoort, waar mijn zoontje net op de bus stapt om op bosklassen te vertrekken. Achter mij vraagt iemand onverwacht: ‘Heeft er iemand internet op zijn telefoon? Er zou een aanslag zijn gebeurd in Zaventem.’ Fak. Ik negeer dit nog vijf minuten. Eerst moeten die kleine rakkers veilig en vrij van nieuws naar hun bos vertrekken.

Onderweg naar het station zet ik de fm-radio op mijn telefoon aan. Tegen dat ik op het perron ben, ben ik helemaal mee. Bomaanslag in de luchthaven. Alle verkeer stilgelegd. Ik bedenk: de crisiscommunicatie op het werk moet in gang gezet. Net nu ik door die bosklassen later op het werk zal zijn! Hopelijk blijft het bij Zaventem, en volgen er geen andere aanslagen in Brussel zelf.

‘Wsch aanslag in Zaventem. Als je liever van thuis uit werkt, doe gerust’, sms’t een collega. Ik antwoord: ‘Zonder laptop? Lijkt me niet handig. Ik kom wel naar Brussel.’ Ik stap op de eerstvolgende trein naar de hoofdstad. Het aankondigingsbord vermeldt als eindstation nog Brussel-Nationale-Luchthaven.

Terwijl de trein Gent uitrijdt, laten verschillende andere collega’s via sms weten dat ze onderweg rechtsomkeer hebben gemaakt, en van thuis uit zullen werken vandaag. En dan hoor ik op de radio dat het Centraal Station wordt ontruimd. Fak! Mijn trein moet daarlangs om naar het Noordstation te raken. ‘Ik zou wel eens lang onderweg kunnen zijn voor ik op het werk ben’, sms ik. Hoe lang zou het te voet duren, vraag ik me af. Een uurtje wandelen tussen Zuid en Noord?

Twee minuten later op de radio: mogelijk een aanslag in Metrostation Maalbeek. En een sms van mijn bezorgde collega: ‘Maak dat je naar huis gaat, jij! Je gaat nu toch niet naar Brussel komen!’ Makkelijker gezegd dan gedaan. Deze trein heeft geen tussenstops en rijdt recht de belaagde hoofdstad binnen.

Maak dat je naar huis gaat, jij! Je gaat nu toch niet naar Brussel komen!

In Brussel-Zuid stoppen we. De trein rijdt niet meer verder. Geen enkele trein meer, blijkt nadien. ‘Succes allemaal vandaag’, zegt een medereiziger bij het verlaten van de coupé. Succes, dat zal ik inderdaad nodig hebben om nog op werk te raken. Aan nog méér bommen of zelfmoordterroristen wil ik zelfs niet denken.

In de stationshal kom ik een collega-ambtenaar van het ministerie van Onderwijs tegen. We willen niet in de mensenmassa blijven rondhangen en gaan naar buiten. ‘Een deelfiets zoeken,’ stel ik voor, ‘daarmee kunnen we nog snel naar de Noordwijk proberen raken.’

Bij de Villo-fietsen staat een wachtrij aan de betaalterminal. Niet zo lang als de mensenketen aan de taxiwachtplaats, maar toch. Wanneer het eindelijk aan ons is, blijkt het ding enkel Visa-kaarten te accepteren. Verdomme, geen van ons beiden heeft een Visakaart. Wat een lamme service! Al had dat ons waarschijnlijk ook niet geholpen. De man achter ons moet verschillende keren opnieuw beginnen voor zijn kaart aanvaard wordt. En vervolgens krijgt hij de fiets niet uit het slot gelicht. Hij is fotograaf, vertelt hij, en moet net vandaag voor een magazine een aantal kunstwerken in Brusselse straten fotograferen. Sneu op een dag wanneer er zoveel actua-beelden te schieten zijn. Uiteindelijk geeft hij Villo op, en trekt hij te voet het stratendoolhof in.

Achter ons weerklinkt geroep. ‘Avancez! Avancez!’. Een massa mensen komt naar buiten, sommige rennend, andere rustig foto’s nemend. De politie ontruimt het Zuidstation. Ze zet een perimeter uit rond het gebouw, die alsmaar groter wordt. De Villo-fietsen zijn geen optie meer, we lopen mee met de massa, weg van het station.

Ik wandel naast een Nederlandse vrouw met een verbeten trek rond haar mond. ‘Ik zat vanmorgen op een metro die naar Maalbeek reed, maar ik had er een verschrikkelijk slecht gevoel bij. Ik hield het niet uit, ben ik meteen naar buiten gevlucht en naar hier teruggekomen.’
‘Waw, wat heb jij geluk gehad! Je hebt er goed aan gedaan om je instinct te volgen.’
Elke maand moet ze voor een vergadering naar Brussel, zo vertelt ze. ‘Ik haat die trips sinds al die terroristen hier zitten. En nu zit ik er middenin. Nee, ik moet niks van Brussel hebben.’

De vraag is nu waar we heen moeten. Onze kantoorgebouwen liggen aan de andere kant van de stad, maar het lijkt ons geen goed idee die tocht nog aan te vatten. Wie weet welke cordons komen we tegen. Of erger. Dus bellen we aan bij het enige gebouw van de Vlaamse overheid dat aan de zuidkant van de stad ligt: de hoofdzetel van Kind en Gezin aan de Hallepoort.

Aan de ingang wordt het onthaalpersoneel van Kind en Gezin net door de grote baas gebrieft: niemand mag het gebouw nog binnen of buiten – een maatregel die zopas is ingegaan voor alle gebouwen van de Vlaamse overheid.  ‘Maar we kunnen gestrande collega’s toch ook niet voor de deur laten staan’, voegt ze eraan toe wanneer ze ons ziet, en ze nodigt ons vriendelijk uit om binnen te komen.

Screenshot van de boodschap 'ik ben veilig' van het Rode Kruis

Het onthaal bij Kind en Gezin is hartverwarmend. Een onthaalmedewerker bezorgt ons een badge en wijst ons waar de koffie, het water en de snackautomaat staan. We krijgen een vergadercockpit om ons te installeren en een paswoord voor het wifi-netwerk. We krijgen zelfs een reserve-laptop in bruikleen wanneer mijn Onderwijs-collega netwerkproblemen ondervindt.

Ikzelf heb enkel mijn persoonlijke tablet mee. Ik ben blij dat ik op internet kan. Het laatste uur heb ik verschillende sms’jes gehad van familieleden en vrienden die ongerust vragen of ik oké ben. Ik sms braaf terug, maar het netwerk is overbelast en niet alle berichtjes komen er vlot door. Het eerste wat ik doe, is mezelf veilig melden via het Rode Kruis en via Facebook. Dat stelt alvast een veertigtal likers gerust.

Mijn communicatiecollega’s stuur ik een mailtje: ‘Ik zit bij de collega’s van Kind en Gezin. Ik kan niet aan mijn werkmails, niet aan ons intranet, niet aan onze gemeenschappelijke schijven. Ik kan wel inloggen op onze website, onze nieuwsbrieftoepassing, onze Facebook-account.’ Ik wil binnen die beperkingen helpen, maar op een paar mini-taakjes na schuiven mijn collega’s me niets door. Bij crisiscommunicatie heb je niet veel aan iemand die digitaal geïsoleerd zit.

Veel ander werk kan ik ook niet doen. Ik volg het nieuws, ik volg wat er op sociale media gezegd wordt. Er sijpelt langzaam meer info binnen. Over de daders bijvoorbeeld. Mijn Onderwijs-compaan krijgt er rillingen van. ‘Stel je voor dat je die terroristen even daarvoor nog in de ogen hebt gekeken. Hoe erg is dat niet? Het noodlot heeft dan plots een gezicht. Griezelig.’

Stel je voor dat je die terroristen even daarvoor nog in de ogen hebt gekeken. Het noodlot heeft dan plots een gezicht.

Na een paar uur begint de verveling te wegen. Ik kan niet werken, ik kan niet buiten om mijn hoofd leeg te maken. Ik kan alleen maar op refresh blijven duwen op nieuwssites. Het ordewoord in Brussel is nog steeds: iedereen binnenblijven. Het openbaar vervoer ligt helemaal plat, het is niet duidelijk of de stations vandaag nog wel terug open zullen gaan.
‘We kunnen hier desnoods wel blijven slapen’, zegt mijn collega optimistisch.’ We zitten hier veilig binnen, en er zijn hier comfortabele banken.’
Ik brom: ‘Heb jij proper ondergoed mee? Ik niet, hoor.’

Ik begin op Googlemaps te zoeken hoe lang het wandelen is naar de treinstations net buiten Brussel. Groot-Bijgaarden? Ruisbroek misschien? Zouden van daaruit nog wel treinen rijden? Dan komt een van de onthaalmedewerkers langs om ons adres te vragen. ‘Dan kunnen we voor iedereen in het gebouw carpooling proberen organiseren.’ Hoe lief dat ze ons niet vergeten.

Ik ijsbeer geregeld naar het raam. Ouders lopen met hun kinderen op straat. De duiven krijgen weer kilo’s verse broodkruimels. Auto’s blijven voorbij rijden en in de file staan, alsof het een Brusselse dag is van dertien in een dozijn. Waarom blijven we eigenlijk nog binnen? De Brusselaars trekken zich niks van terreurniveaus aan, waarom wij dan wel?

En dan komt het verlossende nieuws: vanaf 4 uur worden de stations weer vrijgegeven, en kunnen er weer treinen uit Brussel vertrekken. We beslissen het erop te wagen en de trein terug naar huis te nemen. ‘Maar niet de allereerste trein’, suggereert mijn collega. ‘Die gaat toch stampvol zitten. We hebben geen haast.’

Even na vier komen een aantal Kind en Gezinners terug. ‘Niet te doen! Een verschrikkelijke wachtrij die voor geen meter vooruit gaat. Ik ben al zo’n kleintje, ik wil daar niet platgedrukt worden.’ De politie controleert en fouilleert iedereen die het station binnen wil. Ik haat wachten in mensenmassa’s, en besluit net als het ‘kleintje’ nog wat langer op kantoor rond te hangen en mijn geluk later te beproeven.

Twee uur later, om precies te zijn. Geen wachtrijen meer aan Brussel-Zuid. We kunnen gewoon binnenwandelen. Het is wel spitsroeden lopen tussen zwaarbewapende agenten en soldaten. Ze fouilleren niemand, controleren niemands bagage. Behalve drie migrantenjongeren, met kortgeschoren kopjes en stoere jassen. De drie jongens worden uit de mensenstroom gehaald en naar opzij geleid. ‘Racial profiling’ in de praktijk.
Iemand fluistert: ‘Wat erg. Zo kweken ze weer de volgende lading terroristen.’

De dag smaakt op dat moment nog iétsje bitterder dan ze al deed.

5 gedachtes over “Mijn 22 maart

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s